terug

De Loop Der Dingen: OrchideeŽn

Het was 2009, en ik ontwikkelde software voor bloemenkwekerijen. Dat had ik niet altijd gedaan.

Ik werkte sinds 2001 bij een ICT-bedrijf en was langzaam opgeklommen van helpdesk-medewerker tot systeembeheerder. Dat was in 2006, en toen begon me iets te dagen. Er viel zogezegd een kwartje: ik kwam er achter dat ik systeembeheer gigantisch SAAI vond. Nee, maar echt HEEL erg saai. Zoals Homer Simpson dat zo goed articuleert: BORING!

En omdat ik het saai vond, was ik niet erg goed. Als de mailserver redelijk werkte, was het wat mij betreft tijd voor koffie; als een firewall wel zo'n beetje in orde leek, was mijn werk gedaan. Ik was een beetje als de ingenieurs van de Titanic: "Hij drijft toch! Nou dan; wij gaan naar de kroeg." Ik kreeg het gevoel dat ik op een ijsberg aan het afkoersen was.

Dus besloot ik in 2007 te wisselen naar programmeren. Een scherm, een knop, of een user interface maken. Iets creeŽren: een stuk leuker. Ik kwam bij een project dat software maakte voor kassen met orchideeŽn en anthuriums. Bloemen! Prachtig. Toch?

Misschien heb je het idee dat die orchidee die je laatst voor je moeder hebt gekocht geplant werd door een bijna pensioengerechtigde man, die al jarenlang in zijn bescheiden kas zijn bloemen aandachtig ťťn voor ťťn watergeeft, met een tuinslangetje en een glimlach, terwijl op de achtergrond zijn chocoladebruine labrador in een weiland dolt met een paar dwerggeitjes.

*insert geluid van naald die van een LP wordt weggetrokken*



Dan heb je recentelijk niet door het westland gereden, want dan wist je dat een beetje zichzelf respecterende kweker tegenwoordig minstens 2 hectare kas heeft, staal en glas, volgeblaft met orchideeŽn, of anthuriums, die allemaal op precieze tijden water moeten hebben, overgepot en verplaatst moeten worden, hetgeen wordt verzorgd door robots, lopende banden en andere vreselijke machines die op hun beurt weer aangestuurd worden door de software die ik en mijn collega's maken.

Oh en die dwerggeitjes zijn allang bruut in stukken gescheurd door de chocoladebruine labrador.

Het jaar dat ik goed en wel aan het orchideeŽn-programmeren ging, 2007, was ook het eerste jaar dat ik helemaal niets met cabaret deed. Terwijl Renť werd aangenomen bij Toomler, en Jasper de finale haalde van het Griffioen/Zuidplein Cabaret Festival, probeerde ik te analyseren waarom er gele orchideeŽn werden aangevoerd terwijl de kweker toch echt "wit" had geselecteerd.

Dat ging vloeiend over naar 2008, terwijl ik leerde over object-georiŽnteerd programmeren en database-normalisatie, met als gevolg dat er steeds vaker witte orchideeŽn naar voren kwamen als de kweker "wit" had geselecteerd. Het was een rustiger, overzichtelijker leven. Er was ruimte gekomen. En er begon iets in mijn achterhoofd te knagen.

Ik was nu fulltime programmeur. Daarnaast ging ik af en toe met mijn accountmanager lunchen, was ik gestopt met gamen, en woonde ik inmiddels samen in het rustige Voorburg. Kortom, ik had mijn leven aardig op orde, maar ik hoorde de stem van Homer Simpson steeds luider. Hij zei: "Vroeger deed je iets wat andere mensen niet deden: je schreef liedjes, teksten, muziek; je stond op een podium. Nu ben je feitelijk hetzelfde als die meneer daar, met dat geruite overhemd, snor en mobiel aan zijn riem, die die orchideeŽn-sorteermachine installeert."

Daar kwam nog bij dat om de ťťn of andere reden Renť mij aan de kop bleef zeuren dat ik weer eens zelf op een podium moest gaan staan. Het had effect: ik besloot dat ik voor het einde van dat jaar het ging doen. Daarvoor moest ik weer materiaal hebben. Solograppen, om precies te zijn, en die had ik nog niet zoveel. Dus gedurende die zomer van 2009 schreef ik een aantal A4-tjes bij elkaar, en naarmate het jaar vorderde, steeg de nervositeit: ik moest binnenkort wel een podium gaan zoeken. Ik had mezelf immers de deadline opgelegd: dit jaar nog.

("Waarom, Homer?", prevelde ik. "Ik heb het toch goed tussen die orchideeŽn? Nu heb ik weer knopen in mijn maag.")



Ik besloot dat de Engelenbak in Amsterdam het beste zou zijn: dat theater hield regelmatig 'open bak', een open podium, waarbij iedereen zich op kon geven voor zijn of haar 15 minutes of fame. Een echt theater, met 'ervaren' publiek: publiek dat weet waar ze naar komt kijken, publiek dat wel meer theatervoorstellingen ziet, publiek dat rustig blijft kijken, ook als het niet zo heel best is. Dat leek me wel wat.

"Ik mail de Engelenbak wel", dacht ik, "da's wel zo makkelijk". Maar Jasper, die natuurlijk ervaring had met de Engelenbak, zei: "Nee, je moet ze bellen, niet mailen. Dat vindt Ben, van de Engelenbak, fijner, en dan kom je veel sneller aan de beurt. Oh, en niet zeggen dat je stand-up doet: cabaret of kleinkunst. Dat helpt." Kleinkunst. Dus ik moest ook nog een liedje schrijven.

Op een dag in oktober 2009, nadat ik al een paar weken had getreuzeld, getwijfeld en uitgesteld, zocht ik een leeg kantoor op op mijn werk, en toetste ik het telefoonnummer van de Engelenbak in. Mijn hart zat een beetje in mijn keel. Ben, van de Engelenbak, nam op. Ik zei dat ik een keer mee wilde doen aan de open bak; dat ik wel ervaring had, maar geen solo-ervaring. Cabaret. Met een liedje. Ben klonk heel aardig, en vertelde me dat er 15 december nog plek was. "Prima", zei ik, en het was geregeld. 15 december 2009, ik had mijn eigen deadline gehaald.

Ik liep terug naar mijn werkplek, waar de helpdesk-telefoon inmiddels al weer roodgloeiend stond: er waren nu roze orchideeŽn naar voren gekomen, terwijl de kweker "geel" had ingevuld. Bovendien had zijn chocoladebruine labrador twee anthuriums van een lopende band geramd waardoor er een baan in storing stond*. (*geromantiseerd, mogelijk niet helemaal de waarheid).

Maar ik zat niet meer met mijn hoofd bij de orchideeŽn: ik moest een liedje hebben. Liedjes schrijven, dat was altijd een bevalling geweest. Maar het moest. Ik kon immers niet gaan stand-uppen, daar in de Engelenbak, op 15 december.

[wordt vervolgd]