Los Angeles
Last days in the USA 2
De verjaardag
Na de eerste verjaardagskater was het s’ middags zaak om
bij te komen en iets te bedenken om s’ avonds te doen. Normaliter
haat ik mijn verjaardag en vandaag is het niet anders. De lunch
helpt totaal niet om het natte zaagsel, dat aan de binnenkant van
mijn schedel kleeft aan de gang te krijgen. Maar echt misselijk
word ik pas een uurtje
later in het bubbelbad. Een bijna Romeins gevoel voor decadentie
komt over me heen. Terwijl ik mijn antiperistaltische spasmen in
het warme woelende water probeer te onderdrukken, bubbelt deze gedachte
naar boven. “Misschien is een limo wat? Gewoon met de jongens
de stad in, je vol zuipen en je geen zorgen maken of je thuis komt…”
Ik weet wat me te doen staat en slenter richting het appartement
om Kelley van mijn plannen in te lichten. Nadat we in de gouden
gids van L.A. ongeveer dertig pagina’s aan limoservices en
bedrijven zijn tegengekomen, blijkt het toch nog lastig te zijn
om geen Spaans sprekend ventje aan de andere kant van de lijn te
krijgen. Uiteindelijk komen we er met een gebrekkig Engels sprekende
helemaal uit en staat er om acht uur een gigantische aso-bak met
chauffeur voor de deur.
Het
eerste wat we doen is even langs gaan bij The Comedy Store. Daar
staan twee van de zelfvernoemde komische genieën, die ik de
vorige keren al als eikels had beschreven, interessant te doen bij
de buitenbar. Zo nonchalant mogelijk stap ik met een groot glas
wodka on the rocks uit de streched limodeur, die door de chauffeur
wordt opengehouden. Koeltjes knik ik even richting de verbaasd kijkende
wannabee comedians, alvorens met Kelley nog een drankje te doen
aan de bar. De blik van die twee was de hele ritprijs al waard.
Even snel als we aan waren gekomen verdwijnen we ook weer, om Freddie,
George en Bill op te pikken. Hun buren zitten buiten te keuvelen
en kijken vreemd op als de limo voor komt rijden en de hele comedy
kliek vrolijk instapt. Het wordt tijd voor een kroegensurivaltocht.
Eerste stop is de Rainbow Bar. Dit was van horen zeggen een coole
bar, maar het doet allemaal een beetje triest aan. Na één
drankje zijn we de getatoeëerde omgeving en Bon Jovi beu en
vluchten we richting een ander drinkhol, waar we het ook na één
drankje voor gezien houden. Gelukkig ziet er in de limo een flinke
bar, dus we hoeven niet te wanhopen. We gaan het maar eens iets
hogerop proberen.
De Skybar, L.A.’s hipste bar. Eerder deze week kwamen we
er nog met geen mogelijkheid in, met een limo verwachten we minder
moeilijkheden. Maar zelfs met limo blijken we alleen binnen te komen,
omdat de portier Freddie herkent van één van zijn
vele sitcom rolletjes. Het is duidelijk dat dit een plek is om gezien
te worden, want we worden compleet genegeerd. We trekken ons daar
weinig van aan en bestormen de bar. Kijk niet gek op als je negen
dollar kwijt bent voor een biertje, maar aan de andere kant is het
wel een bar met een zwembad. Her en der zie ik mensen zich belangrijk
voordoen. Het is duidelijk dat dit groepje ouwe komieken niet tot
de standaard cliëntèle behoord. Zeker het tempo waarmee
gezopen wordt staat in schril contrast met de groene thee drinkende
siliconen massa. Het is natuurlijk net op het moment dat het een
beetje leuk begint te worden alweer sluitingstijd, dus zoeken we
ons geluk elders. Maar we merken dat de sluitingstijden in L.A.
niet stroken met ons tijdsbesef en na het laatste afzakkertje wordt
het tijd om bij deze poppenkast de gordijntjes dicht te trekken.
Rijden door Hollywood in een enorme glimmende zwarte compensatiepik
met complementairy bar, terwijl er in die bar vijf comedians zitten,
blijkt niet mijn slechtste verjaardagsinvulling ooit te zijn.
Mijn
laatste volle dag in Californië begint met een verassing. Mijn
kater is lang niet zo erg als ik had verwacht. Morgen vertrek ik
en dat maakt me ondanks het gevoel dat ik nu wel weer eens terug
naar Nederland wil, toch een beetje melancholisch. Kelley heeft
een briljant idee voor het ontbijt. We gaan naar Pink’s, de
meest fameuze hotdogtent van Los Angeles. Iedereen moet tenminste
één keer in zijn leven een Pink’s hotdog eten,
aldus Kelley en ik kan hem geen ongelijk geven. Er staat een gigantische
rij van zenuwachtig drentelende hongerige
Amerikanen. Zeker drie kwartier moeten we wachten voor we aan de
beurt zijn. Het lijkt wel een rij voor een achtbaan in een pretpark,
maar deze rij staat er al decennia. Orson Wells heeft de mythe nog
verder opgestuwd door dagelijks Pink’s hotdogs naar binnen
te werken. Zoveel zelfs dat velen menen dat deze hotdogs zijn ondergang
zijn geweest. Na Orson’s dood schijnen er volgens de overlevering
tijdens de autopsie 14 hotdogs in zijn maag te zijn gevonden. Tsja,
als dat geen smaakvolle advertentie is, dan weet ik het ook niet
meer. De hotdog die ik bestel is gewoon niet anders te beschrijven
dan megalomaan. Het is onmogelijk om dit gevaarte fatsoenlijk op
te eten, maar de Mulhollanddrivedog, een extra large chili-nachocheese-and-union-dog
met extra zuurkool, is zonder twijfel de lekkerste hotdog die ik
ooit in mijn trechter heb geduwd.
Nadat
we alle meuk van onze vingers en snuiten hebben geveegd gaan we
nog één keer rijden door L.A. via Mulholland drive
gaan we eerst richting The Valley om later richting Malibu Beach
te gaan. Rijden door de heuvels van Hollywood i simpelweg heel relaxed
en wordt alleen maar overtroffen door het rijden langs de kust met
Grote Oceaan richting Malibu. De schoonheid van het land staat in
schril contrast met zijn bewoners, dit is echt. We belanden na uren
rijden op een prachtig privé-strandje. Een perfecte plek
om de laatste uurtjes in L.A. door te brengen. We knopen de broekband
iets losser om nogmaals onze kaken in een berg voedsel te zetten
en ik slurp nog een aantal Corona’s weg tot de zon onder gaat.
Het is mooi geweest.
Ik
weet niet wat het is met koffers inpakken, maar ik word er altijd
een beetje onrustig van. Ik loop als een kip zonder kop met mijn
rommel heen en weer en kan pas weer een beetje ontspannen, als ik
de volgepakte koffer met behulp van mijn bips weet dicht te klikken.
Kelley geeft me mijn laatste lift naar het vliegveld. We zijn voor
ons doen redelijk stil onderweg en als we aankomen in de chaos van
L.A.X. airport, is het afscheid noodgedwongen kort. De vlucht die
me te wachten staat is er één van een uitzonderlijke
misère. Eerst moet ik naar Houston, waar ik lekker een paar
uur mag wachten om vervolgens in één ruk door te vliegen
naar Amsterdam. Natuurlijk zit ik op weg naar Houston naast een
jengelend kind, dat allerhande voedsel en drinken lekt. Redelijk
plakkerig kom ik een uur of vier later aan in Houston Texas. Dit
is duidelijk weer een heel ander stukje Amerika dan dat ik tot dan
toe had gezien. Hier lopen de linedancers nog in het wild rond en
valt het spraakgebrek van George Dubya totaal niet op. Mijn plan
om even buiten een kijkje te nemen wordt in de kiem gesmoord. Zodra
ik uit de airco loop valt er een warme klamme deken over me heen.
Het is 39 graden en het motregent, een Turks stoombad is de eerste
associatie die ik heb, maar ik sta gewoon in Marlboro country. Binnen
twee minuten heb ik een gaargekookte voorkwab. Ik snap opeens ook
die malle Stetson’s. Zet hier drie minuten je hoed af en de
eieren zijn klaar.
Ik zoek onmiddellijk de airco weer op en dood de tijd met bier
drinken in de zeer gezellige met TL-licht verlichte foodcourt van
de luchthaven. Als ik aansluit bij de wachtende meute voor het vliegtuig
richting Amsterdam, bevind ik me voor het eerst sinds tijden weer
tussen groepen Nederlanders en het beetje heimwee dat ik had verdwijnt
als sneeuw voor de zon.
In het vliegtuig slapen lukt me nooit en terwijl ik me door het
aanbod van relatief nieuwe B-films werk, kan ik het niet helpen
om te mijmeren. Bijna zes weken Amerika heb ik achter de rug en
nog steeds kan ik er geen touw aan vastknopen. Zoveel tegenstellingen,
tegenstrijdigheden en ‘good old American bullshit’ heb
ik gezien en meegemaakt. Waarom kan een land als Amerika zowel Jerry
Springer kandidaten, als mensen zoals Johnny Steele en Kelley Rodgers
opleveren? Bill Hicks en Lenny Bruce aan de ene kant, Billy Graham
en George W. Bush en aanhang aan de andere kant. Er lijkt haast
een onoverbrugbare kloof tussen deze uitersten te bestaan. Ik kan
maar één reden bedenken. Op een grote hoop stront
kan veel moois groeien.
Als ik in Schiphol mijn nieuwe knalrode koffer van de band af zie
hobbelen, merk ik dat de kevlar monoshell van mijn olifantresistente
koffer volledig aan gruzelementen ligt. Het schiet door mijn hoofd
om misschien een keer voor de gein de bagagejongens van Schiphol
af te laten reizen naar de Olympische Spelen. En ze dan laten uitkomen
op de onderdelen kogelstoten, discuswerpen en hamerslingeren, want
zo te zien hebben ze voldoende talent. Als ik met een geestelijk
gehandicapte koffer richting de parkeergarage langs klagende Nederlandse
vakantiegangers loop, zie ik een bordje met een grote klomp en een
pijl naar rechts. Ik besef in één keer dat we in Nederland
ook nog genoeg shit hebben en ik ruik mijn kans.
-
Wilko Terwijn
terug naar het overzicht
|