www.zwartekat.nl - Verzamelpunt voor cabaret en stand-up comedy

René M. Broeders

Het Nationaal Jeugd Orkest

Even geen cabaret, maar tijd voor bezinning. Na mijn vertrek bij Cameretten valt er wat mij betreft niet veel te lachen en wil ik sowieso nog maar eens overwegen of ik mij blijf scharen onder de leukerds van Nederland. Al gaat het werk gewoon door en dienen zich meteen interessante projecten aan. Maar nu toch even iets anders dus.

Na een bezoek aan de hoofdstad stap ik in de trein en kom temidden van een tiental enthousiaste jongeren te zitten. Dat gebeurt overigens niet geheel toevallig, want nadat ik zorgvuldig mijn plaats heb gekozen tussen deze brok gezelligheid, zet ik ook meteen mijn hond in, om het ijs te breken. Er zijn jongens met interessante koffertjes in ongewone vormen en formaten, maar die hebben het jammer genoeg heel druk met elkaar. Ik probeer de hond in hun richting te laten kijken, de oren omhoog, de ogen nieuwsgierig, wanneer Laura tegenover mij uitbarst in een 'oh, wat lief' en 'wat een schat is het'. En aldus raakt het gesprek via hond, het weer en de NS al snel op de studie - de hele groep doet conservatorium en Laura zit in het Nationaal Jeugd Orkest! Wauw! Schoorvoetend geef ik mijn belangstelling voor klassieke muziek toe en beken dan ook maar meteen dat mijn boekenplank gesierd wordt door het volledige werk van Bach, ja van het Kruidvat inderdaad, maar toch helemaal niet slecht. Ik nodig de hele ploeg uit voor een voorstelling van Op Sterk Water en het tegenbezoek laat niet lang op zich wachten. En dus zit ik vanavond in Vredenburg in Utrecht.

Het publiek is overwegend grijs, hier en daar vormt een kluitje opgeschoten muziekfanaten een oase. Opvallend is de punker; op de plek waar mijn viervoeter doorgaans een chique sjaaltje draagt, drukt bij hem een strakke hondenhalsband permanente punten in zijn net niet stoere nekje.

Ter compensatie van mijn eigen ouderdom heb ik voor vanavond een charmante prins genodigd, die de klassieke muziek een warm hart toedraagt en zich daarom speciaal met een strikje getooid heeft.

Het orkest zit al, keurig in zwart-wit, de meisjes veelal in het lang. Het eerste werk is van Johannes Brahms, zijn Eerste Pianoconcert bestaat uit drie delen. Zijn stuk werd toen het destijds in Leipzig voor het eerst gespeeld werd niet zo goed ontvangen: men vond het maar niks dat de piano- en orkestpartij zo met elkaar verweven waren en er klonk toen na afloop zelfs een beschaafd 'boe'.

Ik vind het een zwaar stuk, waarvan ik me afvraag wie van het orkest het nou echt mooi vindt om zelf naar te luisteren. Toch is het verbluffend hoe goed het wordt uitgevoerd en dat moet denk ik wel een kick geven. Er wordt gespeeld met een enorme beheersing en techniek en er is een feilloze afstemming van het orkest op de Italiaanse gastpianist Enrico Pace, inmiddels vierendertig, ogend als dik in de veertig, spelend als met honderd jaar ervaring. De beheerstheid waarmee dirigent Alexander Liebreich het stuk leidt wordt weerspiegeld in het orkest. Hoe kunnen zulke jonge mensen zo'n serene sfeer oproepen, zo'n kwetsbaarheid tussen de dwarrelende noten laten horen terwijl het stuk toch niet slap of laf gaat klinken? En ze doen het gewoon door te blazen op een buis of te sabberen aan een rietje.

Toch blijf ik niet een uur lang alle harmonieën en slimme overgangen haarscherp volgen, het onrustige gevoel van 'waar blijft de grap' zit er toch diep in. Ik kijk een beetje rond en mijn oog valt op de derde hoornist. Het is een lange jongen die als enige een streep op zijn zwarte broek heeft. Waar het hele orkest na lang passen en afspelden nog weken heeft moeten wachten op het dure maatkostuum, heeft hij hem misschien wel gewoon bij de Coolcat gekocht! Met zijn lange lichaam en brutale gelkapsel oogt hij een weinig rebels. Ik weet zeker dat hij op de lange buitenlandse reizen al in de bus de gangmaker is. Hij zet aan tot nachtenlang stappen, hij heeft zijn voorraad xtc bij de Poolse grenscontrole gewoon in zijn binnenzak en hij schaakt de dwarsfluitistes zoals ik dat laatst nog in Westenwind zag.

Maar zoals hij hier achter zijn lessenaartje zit bezorgt hij mij een diep gevoel van ontroering, want er staat maar één A4-tje op! De violen hebben een heel boekwerk voor zich, de dwarsfluiten slaan ook af en toe om en de eerste een tweede hoorn turen naar een dubbel blad. Maar hij, mijn hoornheld, heeft maar één vel, dat nog niet eens vol is! Groot is dan ook mijn bewondering voor zijn geduld. Zo zit hij met zijn vuist in de klankbeker alsof hij een Mingvaas behoedt voor de boze wereld, dan weer steunt hij nonchalant met zijn elleboog op de koperen buizen, daarbij zijn hoofd verveeld ondersteunend. Maar al tientallen maten vóórdat hij moet klinken staat het mondstuk aan zijn lippen - hij blaast krachtig het speeksel door het tuitje, schudt professioneel de u-buis leeg en speelt dan gepassioneerd die ene fis of ges, die Brahms zo'n honderdvijftig jaar geleden speciaal voor hem op papier zette.

Het stuk komt indrukwekkend ten einde, waarbij Brahms' fascinatie voor de Hongaarse muziek duidelijk hoorbaar is. En zo rollen wij toch nog enigszins monter de pauze in. Daar is thee uit de doos en een goed gesprek, waarbij ik het woord 'pijpen' laat vallen. Iets te hard misschien en ik begrijp ook wel dat het uit zijn (muzikale) context onbedoelde beelden oproept, maar dat dat nou uitgerekend bij Maartje van Weegen moet gebeuren vervult mij met ontzetting - zij kijkt mij vanuit slechts een halve meter afstand aan alsof zij Máxima zojuist hoort toegeven dat Willem Lex inderdaad een boxershort met balletjes draagt en het lijkt me dan ook geen goed moment om met mevrouw Van Weegen verder van gedachten te wisselen over mijn onderwerp.

Dus zetelen wij ons voor het tweede deel. Daar is na een werkje van Charles Ives de hoofdmoot gereserveerd voor Béla Bartók's Concert voor orkest en voltrekken zich opnieuw voor mijn ogen wonderen. Zo'n honderd jonge helden zijn hier aan het werk, die op geen fout kunnen worden betrapt en fris klinken, maar toch ook degelijk en ervaren. Hun enthousiasme is zichtbaar, maar ontaardt niet in een frivool en onbesuisd spel.

De zaal zou eigenlijk vol jeugd moeten zitten, maar daarvoor is het wel wat zwaar allemaal. Alleen als je het in een perspectief zet, is het voor een niet ervaren en jong publiek door te komen. Wat zou het leuk zijn, dacht ik, om het te presenteren. Even iets uit te leggen over de voorliefde voor atonaliteit van Ives, even een grapje over de sigaren rokende Brahms. En ondertussen uitleggen hoe het werk van Bartók is opgebouwd, misschien al zelfs met een klein fragmentje, zodat het later wordt herkend. Of interviewtjes met de jonge muzikanten. Maar ja, dan is het geen plechtig concert meer, dan wordt het al bijna een les. Net als het nieuwe cultuurvak CKV in het voortgezet onderwijs. Daar wordt ook geanalyseerd wat cabaret is en hoe stand up comedy is ontstaan.

Ik keer met vertwijfeling huiswaarts - moet kunst nou worden uitgelegd, of moet je iets gewoon mooi of leuk vinden? Is het misschien net zoals met verliefdheid: je valt op iemand - of niet. Maar je kunt iemand toch ook leuk gaan vinden als je die wat beter leert kennen. Dan duurt het meestal ook een stuk langer dan bij het impulsieve, commerciële 'vallen voor'. Dan kan de liefde zelfs een stootje hebben en is ook een flinke dip te overwinnen. Als je maar geduld hebt. Dus: Cabaret wacht op me, misschien komt het nog goed...

reageer


René M. Broeders is oprichter en artistiek leider van Op Sterk Water.