www.zwartekat.nl - Verzamelpunt voor cabaret en stand-up comedy
portret
terug

Hans Dorrestijn

Teksten

Teksten van Hans Dorrestijn
Geplaatst met vriendelijke toestemming van Hans Dorrestijn.

  1. Het anti-ponylied
  2. De begrafenis
  3. De bekeerling
  4. De bezorgde vader
  5. Het buigen
  6. Dorrestijns rondeel
  7. Drinklied
  8. Gedicht bij mijn vijftigste verjaardag
  9. Ging ome Jan maar dood
  10. De grote stad
  11. Guichelheil
  12. Hunkering
  13. Ik moest een schaap een tongzoen geven
  14. In hogere sferen
  15. Jagerslied
  16. De kerkhofganger
  17. De lelijkheid I
  18. Lente
  19. Lilian (Johan) van der Borst
  20. Moederdag
  21. Het ontbijt
  22. Oorlogswinter
  23. De oude brandweerman
  24. De oude timmerman
  25. Pas geteerd
  26. Pieleman
  27. Renault 4
  28. Slaande ruzie
  29. De telefoon
  30. Zelfportret of een poging tot genie
  31. Zwemmerslied
  32. Zwijgen is goud

Het anti-ponylied

Wat heeft de Here toch bedoeld
toen Hij de pony schiep?
Een verstandig mens die lacht erom
hardop of in 't geniep

Men noemt hem soms wel ponypaard
met wilde fantasie
Van 't edel paard is dit gedrocht
toch niet de evenknie

Dit krombenig wanprodukt
het kijkt altijd zo suf
Evenveel lijkt het op een paard
als een aap op Katrien Deneuf

Het is en grote saggerijn
houdt nooit eens van een grap
En als er even niemand kijkt
geeft het uw kind een trap

Te dikke beentjes heeft dit dier
als had het een oedeem
Steig'ren kan het er niet mee
dan zakt het er doorheen

Men roddelt over varrekens
die men zwarter maakt dan pek
Maar het varreken is veel nuttiger
geen mens eet er toch ponyspek

Wat ons altijd weer verbaast
is dat t een baasje vindt
Ja, er zijn nog ouders zat
die geven hem hun kind

U geeft uw kind toch ook geen kitsch
ouders. Of tenminste niet zo vaak
Maar met pony's bederft u wel doodleuk
uw oogappel zijn smaak

Geef toch geen ponypaard meer weg
bij verjaardagen of zo
Al is het voor uw stiefkind wel
een pracht van een kado

De begrafenis

Iets te langzaam liep de stoet
Iets langzamer dan moet
Van het hek tot aan het graf
legden we zijn laatste loodjes af
Iets te helder scheen de zon
iets helderder dat kon

Een pracht gezicht, die zwarte rij
niemand komt de dood voorbij
Zoals altijd kraakte 't grind
maar er stond geen zuchtje wind
De eerste toespraak dan
iets gevoeliger dan kan
Zijn vader kreeg het laatste woord
de helft ervan heb 'k niet gehoord
Maar van de kluiten op de kist
geen enkele gemist
'k Had deze stilte lang gezocht
weldadiger dan mocht

Hij lag in de grond, alleen
en de stoet viel al uiteen
Ik merkte bij 't naar huis gaan pas
weer dat het nog winter was
Iets te helder scheen de zon
iets helderder dat kon

De bekeerling

Ik rook niet meer, ik drink niet meer
en doe aan gymnastiek
Ik spook niet meer, ik smook niet meer
en lees de encycliek

Vroeger was het andersom
toen leefde ik niet zo braaf
Toen rookte ik en drinkte ik
en klonk de pornograaf

Toen leefde ik nog liederlijk
en telde dus nog mee
Ik hoestte en ik nieste
en ik moest naar de WC

Toen zworf ik nog van hot naar haar
de toekomst stond niet vast
Ik was in dit tranendal
een ongenode gast

Ik huilde op mijn kamertje
en jankte in 't café
Ik had een hele berg verdriet
daar leurde ik toen mee

Verdriet om dit, verdriet om dat
en altijd ziek en zwak
'k Beoefende de treurigheid
als ambacht, als een vak

'k Werd om mijn treurigheid bekend
en later zelfs bemind
Van al wat ongelukkig was
werd ik het troetelkind

Ik was het levende bewijs
dat het erger kon
Men zag door mijn tranen heen
het schijnen van de zon

Altijd dronken, in de war
dat vond men sympathiek
Ik rook niet meer, ik drink niet meer
en lees de encycliek

Wel is het leven veel meer waard
gezond op 't platteland
Maar een rijk man die zijn vrouw bemint
is die wel interessant?

De bezorgde vader

Ik heb een kind dat ik wil houden

Kinderen horen niet te sterven
Maar het gebeurt: door autoband of vuur
Door staal, door glas (in splinters of aan scherven)
Door mensenhanden, uur na uur

Zoveel duizend mogelijkheden
En ik heb aanleg voor het visioen
Ik moet veel tijd en energie besteden
Aan wat de dood hem aan kan doen

Ik ben iemand die zichzelf moet temmen
Ik ga toch al door de hel
Mijn bezorgdheid heeft geen remmen
Men zegt mij: brommers, auto's wel

Maar mijn bezorgdheid heeft geen remmen
Demp elke kanaal en elke sloot!
Twee jaar is hij, hij kan niet zwemmen
Ik wil niet zijn verdrinkingsdood

Overwoeker gras de wegen
Verhinder onkruid elk verkeer
Ik heb een zoon van twee gekregen
En zijn leven is zo teer

En het noodweer dient verboden
Bliksem, rukwind wat niet al
Want ieder noodweer eist zijn doden
Hoe licht komt er een boom ten val?

Wie mij bemint die dooft de vuren
Geen laswerk, waakvlam, haard of gas
Opdat niet mijn zoontjes laatste uren
Het werk van uw handen was

Ik heb een kind dat wil ik zo houden

Het buigen

God mag weten voor ik wie niet heb gebogen!
Ik boog voor koning zowel als lakei
Ik keek de meester en zijn slaven naar de ogen
voor edelman en bedelman, ik boog voor allebei

Ik boog voor heren, even diep voor knechten
Ik heb gebogen voor de Maagd en voor de hoer
Ik kreeg geen ogenblik de tijd mijn rug te rechten
maar mijn ruggegraat begaf en ik zwoer:

'k Zal nooit nooit meer buigen. Niet bij voorspoed, niet in nood
'k Zal nooit en nooit meer buigen. Tot de dood

Wie zich vernedert wordt vertrapt. Zo is het leven
Na elke trap was wéér een buiging mijn repliek
Op 't laatst was ik in buigen zo bedreven
dat ik op het podium geraakte, voor publiek

Maar mijn besluit staat vast: 'k zal niet meer buigen
Niet voor goedwillenden en zeker niet voor tuig
'k Blijf rechtovereind als staat de zaal me toe te juichen
want ik mag barsten als ik ooit nog buig

'k Zal nooit nooit meer buigen. Niet bij succes, niet in nood
'k Zal nooit en nooit meer buigen. Tot de dood
want ik mag barsten als ik ooit nog buig

Dorrestijns Rondeel

Wie zijn medemensen kent
die slikt geen vitaminepillen
maar strychnine zou hij willen
die ernstig zin gezondheid schendt
Wie zijn medemensen kent
hij nam giftig moederkoren
zou lachende de doodsklok horen
Wie zijn medemensen kent
die ziet men heus geen appel, schillen
die slikt geen vitaminepillen
mar kopergroen, sulfaat, carbid
en een doodstrijd had hij niet:
die is een fluitje van een cent
voor wie zijn medemensen kent

Drinklied

Wie in 't café naar binnen kijkt
Ziet door het raam gezelligheid
Vergis je niet het is maar schijn:
Neem dat maar aan van Dorrestijn

We verzuipen onze ellende
En vergooien ons geluk
En we slaan zo tussenbeide
Wel voor dertig gulden stuk

Iedereen heeft hier wel wat
Licht beneveld, ladderzat
In ieders glas zit spijt en pijn:
't Meest in dat van Dorrestijn

Treed rustig binnen, wandelaar!
Voor jou staat ook het glas al klaar
Maar voor drank moet er een reden zijn:
Een jeugd als die van Dorrestijn

En moet je er laveloos vandoor
Dan komt er een taxi voor
Daar moet dan wel nog geld voor zijn:
Ach, leen dat maar van Dorrestijn

We verzuipen onze ellende
En vergooien ons geluk
En we slaan zo tussenbeide
Wel voor dertig gulden stuk

Gedicht bij mijn vijftigste verjaardag

God, wat is het leven prachtig!
Nog dertig jaar dan ben ik tachtig!

Ging ome Jan maar dood

Ging ome Jan maar dood
Zijn onwil is heel groot

Dus ome Jan die blijft bestaan
al wordt hij geslacht als een kip of een haan
Al roosteren we hem in de koekepan
daar wordt hij alleen maar levendiger van

Ging ome Jan maar dood
ging ome Jan maar dood

Die lamstraal wordt wel honderd jaar
al knippen we 'm open met een schaar
Al slaan we een moker op zijn kop
daar knapt die ouwe lul van op

Ging ome Jan maar dood
ging ome Jan maar dood

Al zagen we hem bei zijn benen af
dat brengt hem geen stap dichter bij zijn graf
Al proppen we 'm vol arsenicum
dat brengt ome Jan niet uit zijn hum

Ging ome Jan maar dood
ging ome Jan maar dood

Al binden we zijn handen op zijn rug
en gooien we hem van een hoge brug
dan klimt ome Jan weer op de wal
omdat het Kwaad overwinnen zal

Ging ome Jan maar dood
ging ome Jan maar dood

Wanneer komt ooit oom Jan zijn tijd
en zijn we die rotzak eindelijk kwijt?
We stoppen hem tien meter onder de grond
misschien houdt hij dan zijn grote mond

Kom met knuppels en met zeisen
hem de laatste eer bewijzen
ging ome Jan maar dood

De grote stad / Amsterdam

Aan de Amstel en het IJ
Is de beschaving lang voorbij
Daar wordt iemand die niet waakt
Voor honderd hulden koud gemaakt
Een eerlijk mens wordt weggehoond
Waar misdaad zeer de moeite loont
Waar men schiet en steekt en knalt
En alsmaar banken overvalt
Waar geen kassier meer uitbetaalt
Als je geen trekker overhaalt
In het mensendom zit de klad
Daar in de stad, daar in de grote stad

Waar niemand bidt en niemand werkt
En waar men de verslaving sterkt
Daar zijn kindertjes van zes
Nooit met hun hoofd meer bij de les
Vergeten potlood, pen en gum
Beneveld door de opium
Ikzelf houd ook wel van een shot
En mijn priknaald is al bot
Maar ik vind het glad verkeerd
Als men peuters spuiten leert
Het hele onderwijs ligt plat
Daar in de stad, daar in de grote stad

Men is dolgedraaid en mal
Door zedeloosheid en verval
Men trekt en rukt en masturbeert
Als men niet schuiner nog marcheert
Open en bloot, midden op straat
Je glibbert voort over het zaad
Meisjes van drie zijn veelgevraagd
Amper frie zijn ze geen maagd
Daar maken mannen goede sier
Met een heroïnehoer van vier
Het zijn net beesten, weet u dat
Daar in de stad, daar in de grote stad

Daar is stampij, rumoer, krakeel
En dikwijls wordt het mij te veel
Toch, jij blijft de Parel aan het IJ
Je bent de mooiste stad voor mij
Ik heb je lief, dat is het rare
Ondanks duizenden bezwaren
En ik wed dat ik je nog bezing
Als ik van de ouwe Wester spring
En dat ik van louter geestdrift druip
Als ik in de Herengracht verzuip
Voor mij op aard geen groter schat
Dan deze stad, dan deze grote stad

Op de CD-registratie van 'Gesmolten Ijsberen' uitgebracht als 'Amsterdam'.

Guichelheil

'k Speelde voorheen met buurvrouw lief
'n quatre-mains van Diabel
Al ging het nog zo lekker, soms
staakte ik mijn spel
duiz'lig van haar boezemgleuf
raakte ik van de tel
Mijn hand ging nooit haar bloesje in
maar overwoog het wel
Mijn hand ging nooit haar bloesje in
maar overwoog het wel

't Pianoboek werd opgedoekt
ging in een donk're kast
Ach, ik ben geen jongeman wie
't samenspelen past
Die boezemgleuf die hoeft niet meer
ik vind het geen gemis
'k Besef dat buurvrouws boezem slechts
een nuttige melkklier is
'k Besef dat buurvrouws boezem slechts
een nuttige melkklier is

Wel ga ik dikwijls fietsen in
Gods vrije natuur
Want wie rustig rondtoert, die
raakt niet overstuur
Zie ik een hooggewaaide rok
gebruik in mijn verstand
'k gluur liever naar de guichelheil
en naar de netelbrand
'k gluur liever naar de guichelheil
en naar de netelbrand

Hunkering

Ik kan geen meisje krijgen
Ik weet niet hoe dat moet
Hopsasa faldera
Annemarie
Ik heb minachting verdragen
Vernedering geslikt

Ik neem ze mee uit eten
In dure restaurants
Ik stuur ze bossen rozen
Maar ik maak geen schijn van kans
Ik moet mij in bochten wringen
Als een turnkampioen
Ik deed zovele dingen
Die geen man me na wil doen

Ik verlang vreselijk naar liefde
Na een beetje rozegeur
Ik heb reuma opgelopen
Van het liggen voor hun deur
Ach ik vind ze om te zoenen
Maar nooit krijg ik de kans
Alleen in visioenen
Heb ik nog wel eens sjans
Dan lik ik blij de schoenen
Van de héle dameskrans

CODA
Ik heb met geld gesmeten
Omdat ik van ze hou
Mijn knieën zijn versleten
Van het kruipen voor de vrouw
Ik danste naar hun pijpen
En praatte naar de mond
Ik kan maar niet begrijpen
Dat ik nooit een meisje vond

Ik moest een schaap een tongzoen geven

Motto: 'Als een schaap bèè zegt, dan bedoelt ze ook bèè!'
Ik moest een schaap een tongzoen geven
't Bleek een hele ouwe ooi
Ze keek me aan met haar gele ogen
In haar schaapskop lang niet mooi

Wie was daartoe mijn opdrachtgever
Een tongzoen dus, het was voor straf
'k Perste mijn tong tussen har lippen
En toen stond ik zelf paf

Want langs de gele schapetanden
In het speekselrijke hol
Stuitte mijn tong toen op de hare
En proefde scherp de smaak van wol

't Was zuiver scheerwol die ik proefde
Dat herkende ik meteen
'n Kwaliteitsprodukt, geen namaak:
Ik raakte door het dolle heen

Een wolmerk had het niet van node:
De ooi die bracht me in een roes
Ik leerde rammen te benijden
De herder en de schapedoes

Dus we sloegen aan het paren
De vonken stoven in het rond
'k Dankte God dat ik na jaren
De ware liefde eind'lijk vond

Wat eens begon als plicht, als opdracht
Werd een hartstocht in één keer
Wie eenmaal neemt een schaap te grazen
Die wil nooit iets anders meer

In hoger sferen

Als ik een vrouw ontmoet met een intelligent gezicht,
een edel gevoelig profiel en beschaafde manieren,
met poëziebundels van Reiner Maria Rilke en Hölderlin
en een altviool onder de arm,
dan denk ik meteen aan neuken.

Jagerslied

Ik ging een dag uit jagen
Al met mijn schietgeweer
Ik ging een dag uit jagen
Met mijn hoedje met een veer

Aldus zou ik gaan jagen
Gaan jagen op het land
Maar toen kwamen er twee haasjes aan
Die beten in mijn hand

Toen kwam er nog een eekhoorn
Die trok me aan mijn haar
Van overal van overal
Loerde het gevaar

Het leven van een jagersman
Is beslist geen grap
Vanuit het dichte struikgewas
Gaf een hertje me een trap

Ik zit vol met blauwe plekken
En hier en daar een bult
Met wilde woeste dieren
Is de natuur gevuld

Ik ging een dag uit jagen
Maar ik doe het nooit weer
In een stil en donker hoekje
Hangt het hoedje met de veer

De kerkhofganger

Wat ristelt op de Achterweg
De Dalmse Steeg voorbij?
Er glipt een schaduw langs de heg
Onder de bomenrij
De wind kreunt in de oude eiken
Hij kan geen hand voor ogen kijken
Maar de maan breekt door het wolkendek
En hij klimt over de muur, de gek

Het kerkhof, het kerkhof
Het kerkhof bij nacht
Het kerkhof, het kerkhof
Het kerkhof bij nacht

Bij een vers gedolven graf
Werpt hij zijn mantel af
Hij stoort een dode in haar rust
Want zie, hij bukt hij bukt en kust
Bij de maan haar schaarse licht
Kust hij haar marmerbleek gezicht
Dan scheurt hij zijn hemd van 't lijf
Bespringt de dode koud en stijf

Het kerkhof, het kerkhof
Het kerkhof bij nacht
Het kerkhof, het kerkhof
Het kerkhof bij nacht

Hij rukt de kleding van de vrouw
Huiverend van genot en kou
Levende vrouwen zijn hem te heet
Te willig met hun lucht van zweet
Bij het kreunen van de eiken
Schendt hij nog een drietal lijken
Daar krast de raaf, daar roept de uil
Hij opent nog een verse kuil

Het kerkhof, het kerkhof
Het kerkhof bij nacht
Het kerkhof, het kerkhof
Het kerkhof bij nacht

Van vrouwenlijken met lang haar
Breekt hij de benen van elkaar
We zien een dode, half vergaan
Maar daar trekt hij zich niets van aan
Haar borsten zijn al weg aan 't rotten
Kaal haar schedel, broos haar botten
Eindelijk komt hij hijend af
En kruipt bevredigd uit het graf

Het kerkhof, het kerkhof
Het kerkhof bij nacht
Het kerkhof, het kerkhof
Het kerkhof bij nacht

Voor hij huiswaarts zal gaan keren
Klopt hij de maden uit zijn kleren
En na het horen van dit lied
Is een pedofiel zo erg nog niet

De lelijkheid I

Lelijkheid als 't zeldzaam was
De vraag ernaar was groot
Wie nu niet is om aan te zien
Was dan een stuk of stoot

Meisje met je paardebek
Vol groezel geel ivoor
Op feestjes wordt ge niet genood
In winkels dringt men voor

Schoonheid is niet wezenlijk
Zij vergaat heel snel
Blijvend is de lelijkheid
Dus onderhoud haar wel

Maar lelijkheid als 't zeldzaam was
Men vond u mooi en puur
Jij lelijkerd beleefde dan
Zo menig liefdesuur

Gij ziet van mannen slechts de nek
En nooit hun fonk'lend oog
Laat staan hun fiere apparaat
Voor u kwam 't nooit omhoog

Schoonheid is niet wezenlijk
Zij vergaat heel snel
Blijvend is de lelijkheid
Dus onderhoud haar wel

Lelijkheid als 't zeldzaam was
Dan scheen voor u de maan
Een kilometer penis zou er
In uw nu verroeste schede gaan

Helaas gij zijt vooralsnog
Gedoemd tot zedigheid
Niet door uw sterk normbesef
Maar door uw lelijkheid

Het refrein is later toegevoegd en ontbreekt in de versie die op 'Mooi van Lelijkheid' staat.

Lente

Laat het vriezen dat het kraakt!
Laat het sneeuwen dat het wit!
En laad opnieuw de kolenkit
nu de liefde me zo tegenzit

Verschrompel knoppen die ik haat!
Dooi! Trek terug tot een klein wak!
En zaaier! Zaaier, zaai het zaad
terug tot weer een volle zak!
En haal het vee weer uit de wei
en keer dan achterwaarts bewegend
drogend daar het opwaarts regent
weer naar je warme boerderij

Laat het vriezen dat het kraakt!
Laat het sneeuwen dat het wit!
En laad opnieuw de kolenkit
nu de liefde me zo tegenzit

Help noordenwind! Keer terug van zuid!
Rommel weer aan deur en ruit!
En laat de mensen van de kook
weer overgaan op oliestook
Dan komt mijn liefste in wintertij
als tranen stijgen naar mijn ogen
waar ze één voor één verdrogen
weer ruglings terug bij mij, bij mij

Ook door Joost Prinsen gezongen op zijn LP 'Liedjes van de koude grond' onder de titel 'De film van de lente teruggedraaid'.

Lilian van der Borst / Johan van der Borst

Ik weet nog van mijn tienerjaren
hoe vreselijk geremd ik was
Ik kleurde al bij 't woordje paren
en schaamde als 'k aardkloot las
Ik hoopte om geen beurt te krijgen
als 'k Calcutta aan moest wijzen
En als de leraar Engels vroeg
hoe men snijden in die taal vervoegt
De uitdrukking in zak en as
gebruikte ik veel later pas
En bij alles wat ik niet zeggen dorst
heette ik ook nog Lilian van der Borst

En als ik worteltjes moest halen
of voor mijn moeder pruimen kocht
stond ik me half dood te schamen
terwijl ik om een pond verzocht
Bij de aanblik van bananen
trilde ik op mijn onderdanen
Bij negenenzestig schaamde ik mij
(dat jaar dat ging maar niet voorbij)
En had iemand de pik op mij:
ik viel liever dood dat dat ik het zei
Daar was nog het aanstootgevende worst
en die ellendige naam Van der Borst

Maar ik ben er overheen gekomen
ik werd een volwassen meid
het heeft een and're keer genomen
na mijn puberale tijd
Ik werd harder en uitdagender
ik raakte mijn geremdheid kwijt
Als ik nu merk dat ik aanstoot
wordt mijn vreugde pas echt groot
Je zou moeten zien hoe ik geniet
als ik me voorstel als Lilian van der Tiet

Dorrestijn vertolkt het nummer zelf op 'Mooi van lelijkheid' onder de titel 'Johan van der Borst'. De naam Lilian wordt vervangen door Johan en tenslotte wijkt het laatste couplet af:

Maar 't heeft een and're keer genomen
na mijn puberale tijd
ik ben d'r overheen gekomen
'k raakte mijn geremdheid kwijt
Ik werd harder en uitdagender
Ik heb nou aan alles schijt
Als ik nu merk dat ik aanstoot
wordt mijn vreugde eens zo groot
Je zou moeten zien hoe ik geniet
als ik me voorstel als Johan van der Tiet

Moederdag

Moeder wij staan hier voor uw bed
met een versje en een beschuit
Thee dat hebben we ook gezet
en daarom zingen we luid:

't Is moederdag, 't is moederdag
de thee die is wat slap
Maar leve moeder d'r moederschap
en leve het moederschap

Straks vindt u kruimels in uw bed
dan denkt u vast wel aan ons
Broertje heeft een gat in zijn kop
Dat was daarstraks die bons

Moe, het beschuitje viel op de grond
zit nu vol stof en vol haar
't Kwam terecht op de boterkant
want die is dubbel zo zwaar

Moeder, u krijgt nu ons cadeau
Daarvoor hebben wij lang gespaard
Het heeft wel vijftig gulden gekost
Maar 't is haast niks meer waard

Broertje schroefde het dopje eraf
Dat jong heeft altijd wat
Toen liep die dure parfum eruit
Er zit zo'n vlek in de mat!

't Is moederdag, 't is moederdag
ook vader is verblijd
Hij is dankbaar voor uw moederschap
en voor uw vrouwlijkheid

Moeder, twee helften van een plaat
want hij brak: een plaat van James Last
Trouwens Dirk-Jan had voor die hem brak
uw naam er al ingekrast

Moeder, wij houden zoveel van u
En u huilt nu zelfs van geluk
Wij kind'ren zijn een zaligheid
al maken we nog zoveel stuk

Oorlogswinter

Vader,
Je bracht mij toen naar Friesland
Winter van vierenveertig
Er lag sneeuw. Het was koud
Banden van hout
Gladde weg vol met kuilen
Na een kwartier ging ik huilen
En ik zeurde om brood
Het was hongersnood

Je kwam langs een controle
Ik was bang voor de Duitsers
Die zo tegen je schreeuwden
Maar je mocht door
Klopte toen bij een boer aan
Die liet ons in de kou staan
Heb een slaapplaats gezocht
Het was hongertocht

En we sliepen in schuren
En de tocht bleef maar duren
Tot je in Oosterwolde
De afscheid nam
Je bent zelf teruggereden
Hebt weer honger geleden
Je was zwaar ondervoed
Je had heldenmoed

Vader,
Ik kreeg warmte en eten
Ik was die reis zo vergeten
En de kou ging voorbij
Het werd groen in de wei
Ik zat op vrede te wachten
Het kwam niet in mijn gedachten
Dat je me nooit meer zou halen
Je hebt me enkel gebracht

Oorlogswinter

Vader,
Je bracht mij toen naar Friesland
Winter van vierenveertig
Er lag sneeuw. Het was koud
Banden van hout
Gladde weg vol met kuilen
Na een kwartier ging ik huilen
En ik zeurde om brood
Het was hongersnood

Je kwam langs een controle
Ik was bang voor de Duitsers
Die zo tegen je schreeuwden
Maar je mocht door
Klopte toen bij een boer aan
Die liet ons in de kou staan
Heb een slaapplaats gezocht
Het was hongertocht

En we sliepen in schuren
En de tocht bleef maar duren
Tot je in Oosterwolde
De afscheid nam
Je bent zelf teruggereden
Hebt weer honger geleden
Je was zwaar ondervoed
Je had heldenmoed

Vader,
Ik kreeg warmte en eten
Ik was die reis zo vergeten
En de kou ging voorbij
Het werd groen in de wei
Ik zat op vrede te wachten
Het kwam niet in mijn gedachten
Dat je me nooit meer zou halen
Je hebt me enkel gebracht

De oude brandweerman

Het kleine stadje ligt zo stil
in het donker van de nacht
Opeens weerklinkt er schel en schril
een kreet heel onverwacht:
Brand! Brand!

Nu komt de oude brandweerman
krakend uit zijn bed
Hij trekt zijn brandweerkleren an
en grijpt zijn brandweerpet
Brand! Brand!

Daar komt hij bij de vuurhaard aan
't is midden in de stad
Als dat brandje uit gaat slaan
maak dan je borst maar nat
Nu krijgt de oude brandweerman
de brandweer-brandweerspuit
maar acht zijn lot is vreselijk
er komt geen droppel uit
Brand! Brand!

Vroeger spoot hij huizenhoog
De rooie haan kreeg klop
Nu blijft alles kurkdroog
want er komt geen drop
Daar komt een jonge spuitgast an
Die lacht hem hart'lijk it
Hij ontrukt de oude man
pesterig de spuit
Brand! Brand!

De arme oude brandweerman
wat staat hij daar voor paal!
De jonge spuitgast spuit me daar
een reuze grote straal
Zo'n jonge kerel spuit vol vuur
en blaakt van levenslust
Neemt zo'n knaap de spuit ter hand
dan wordt er brand geblust
Brand! Brand!

"Pis jij maar thuis de kachel uit!"
roept de jonge spuitgast ruw
Hij geeft de oude brandweerman
opzettelijk een duw
De brandweerman sloft door de stad
Hij heeft een pakje lucifers
en steekt er eentje aan
Brand! Brand!

De oude brandweerman

Hé, oude timmerman
wat ben je in de weer!
Hé, oude timmerman
wat doe je daar nou weer?!

Ik maak een wankel tafeltje
Ik maak een deur die piept
Ik maak een houten klapstoeltje
dat heel gemakkelijk kiept
'k Maak in de vloer een gat, mevrouw
Daar valt u in, hihi
Ik maak een houten beentje met
scharniertjes voor de knie

Hé, oude timmerman
wat ben je in de weer!
Hé, oude timmerman
wat doe je daar nou weer?!

Ik maak een dichte kast, mevrouw
Ik maak een open deur
Ik maak een boekenkastje met
in elke plank een scheur
'k Maak alles wat ik maken moet
op de verkeerde maat
Dus ga maar naar een ander toe
als u zich kisten laat

Hé, oude timmerman
wat ben je in de weer!
Hé, oude timmerman
wat doe je daar nou weer?!

Mevrouw ik stop met werken
want ik heb het extra zwaar
Dat komt, ik ben linkshandig
een linkse timmeraar
Ik schaaf, ik schuur, ik pas en meet
Ik kreun en zweet en zucht
en sla ik op mijn rechterduim
godverdegodverdegodverdegloeiende nondeju
en sla ik op mijn duim dan is
't gevloek niet van de lucht

O mocht ik toch een tandarts zijn
die doet alleen zijn klanten pijn

Pas geteerd

Begin van de lente
schitterend weer
De vogels die gingen
als gekken tekeer
De wereld in bloei
't was lente en hoe!
Ik reed nietsvermoedend
op de fiets naar je toe

De meidoorn geurde
ik neuriede zacht
en glimlachte telkens
als ik aan je dacht
Wie zou er niet lachten?
Een prachtige dag!
Hij zou er wel gek zijn
die de zonzij niet zag

De Savornin Lohman
zo heette die laan
daar zag ik een wals en
een teerwagen staan
De wegwerkers zwoegden
en zongen een lied
Wat er stond te gebeuren
dat wisten ze niet

Ze liet me niet binnen
Ik stond verstomd
toen ze zei: "Het is beter
dat je hier nooit meer komt"
De asfaltlaag walmde
in het scherpe licht
en ze deed voor altijd
de deur voor me dicht

'k Liep over het tuinpad
nog steeds klonk gezang
't Ging over een blondje
met een kuil in haar wang
De Savornin Lohman
met het bord 'Pas geteerd'
Die dag, jaren geleden
ging alles verkeerd

In luttele seconden
was alles voorbij
de lente, de liefde
bestond niet voor mij
Ik vocht met mijn tranen
in een walm van teer
De vogels die gingen
als gekken tekeer

Nog altijd als ergens
de weg wordt geteerd
is het of mijn hart
in mijn lichaam omkeert

Pieleman

Een elastiekje leg ik rond
dat ik op de tafel vond
Daar midden in een lucifer
in seks ben ik een grote ster
Ik schrijf op een blaadje: 'kauw uw thee'
seks daar doe je zoveel mee

Pieleman, pieleman
trek er maar eens lekker an

Ik steek een sleutel in het slot
het oude slot dat is kapot
Ik schrijf 'K+L=N'
omdat ik een kleine viespeuk ben
Ik ken een jongen die 't al dee
seks daar doe je zoveel mee

Pieleman, pieleman
trek er maar eens lekker an

Mijn pink steek ik in de hals van een fles
Dat doe ik wel een keer of zes
Ik trek hem eruit, dan zegt het flop
Nog zestien keertjes voor ik stop
Ik zing: Dorus Dee
heeft een dikke snee
hiervandaan tot Enschede
seks daar doe je zoveel mee

Pieleman, pieleman
trek er maar eens lekker an

Mocht ik een keer met Tini Fonteyn
met Tini Fonteyn op zolder zijn
Vertelde ze mij die gekke grap
van Dieper waar ik niks van snap
met vriend Paul ging ik erheen
want seks dat doe ik nooit alleen

Pieleman, pieleman
trek er maar eens lekker an

Renault 4

Ach, ik rijd nog zo vaak in mijn dromen
in onze kleine rode Renault
waarmee we in Parijs zijn gekomen
in Clermont-Ferrand en Bordeaux

Hij zong een lied als het ware
als hij de Franse heuvels besteeg
En hij voerde ons langs de Loire
al was zijn benzinetank leeg

Maar zij wilde een grotere wagen
Daarmee ging ze over een grens
De gedachte kon ik niet verdragen
en ze zit nu in een Mercedes Benz

In een Mercedes ver weg in Westfalen
naast een vent die goed zit bij kas
De duivel moge haar halen
want nooit wordt het meer zoals het was

Nooit vergeef ik haar deze blamage
Smakeloos was het, en grof
De Renault staat in de garage
overdekt met een dikke laag stof

Maar ik rijd nog zo vaak in mijn dromen
in onze kleine rode Renault
waarmee we in Parijs zijn gekomen
in Clermont-Ferrand en Bordeaux

Slaande ruzie

Soms lag ik in donk're nachten
mijn vrouw d'r thuiskomst af te wachten
Ik lag d'r thuiskomst af te wachten
met een klap in mijn gedachten

Ze ging de hort op, keer op keer
met een andere meneer
Ik lag d'r thuiskomst af te wachten
met een klap in mijn gedachten

Het sloeg mijn vrouw soms in d'r bol
en dan ging ze aan de rol
Ik lag d'r thuiskomst af te wachten
met een klap in mijn gedachten

En ze beloofde telkens weer
"Lieve schat, 't gebeurt nooit meer"
Ik heb haar één keer echt geslagen
dus ze mag niet klagen

Ik lag zo vaak in donk're nachten
haar thuiskomst af te wachten
Ik lag d'r thuiskomst af te wachten
met een klap in mijn gedachten

De telefoon

Geld opnemend op de bank
hoor ik die begeerde klank:
de telefoon. Ik denk: 'Goddank, mijn ex-beminde
Hoe heeft ze mij hier kunnen vinden?'

Ik zit in bad, mijn haar vol shampoo
'Ze komt weer terug.' De telefoon die gaat
Ik hol de trap af, naakt en druipend
Beneden zwijgt het apparaat

Ik meen de telefoon te horen
als ik de poesta in verdwijn
Dan preveleln mijn bevroren lippen
'Zal het zij zijn, zal het zij zijn?'

Als drenkeling in hoge golven
de armen zwaar van het vergeefse slaan
hoop ik niet dat ik gered word
maar dat de telefoon zal gaan

Zelfportret of een poging tot genie

Behoudens enkele groten
is iedereen maar klein
Hoe heeft het mij verdroten
om geen genie te zijn

Johohoho

Ik spring. Dan lijk ik dartel
Ik poog van vroeg tot laat
Maar hoe ik spring en spartel
ik zit vast aan mijn formaat

Johohoho

Ik streef net als genieën
naar de onsterfelijkheid
Maar ik reik slechts tot de knieën
der middelmatigheid

Johohoho

U kunt mijn werk dus kraken
Dat is intelligent
Maar dit lied kunt u niet maken
Daarvoor mist u het talent

Hahahahahaha

Zwemmerslied

(in opdracht van Ton Anbeek)
Zie, het strand ligt vol met baders
in de zon, op rug of buik
In een walm van zonne-olie
nemen we een frisse duik

Zwemmen is een beetje zweven
zoals we zweven in een droom
Ik blijf niet te lang in 't water
want mijn huid is blank als room

We laten ons drogen
En gaan weer in zee
En vauit de Hoge
Zwemt God met ons mee

Kijk! Een vrouw zwemt als een vlinder
Niets aan te doen, dat is haar aard
Ik houd me liever aan de schoolslag
betrouwbaarheid is ook wat waard

Ze drijven ver weg op een luchtbed
en halen zo een bruine rug
Maar de zee die dikwijls wreed is
geeft menigeen eerst lijkbleek terug

We laten ons drogen
En gaan weer in zee
En vanuit de Hoge
Zwemt God met ons mee

Daar! Een zwemmer met een snorkel
(die werkt op een ping-pongbal)
Ik houd niet zo van tafeltennis
ook niet van tennis, al met al

Help! De zon gaat feller schijnen
Nou wordt de hitte werk'lijk smoor
Het is haast niet meer uit te houden!
Ik wou dat het een beetje vroor

We laten ons drogen
En gaan weer in zee
En vauit de Hoge
Zwemt God met ons mee

Daar ligt, tegen het verbranden
één met een dopje op haar neus
Zonder dop misschien een schoonheid
nu niet eens meer tweede keus

Vreeslijk is dit roerloos liggen!
De mode eist een bruine huid
Zweet gutst rijkelijk in stromen
Mijn god, hoe houden we het uit

We laten ons drogen
En gaan weer in zee
En vauit de Hoge
Zwemt God met ons mee

Hoera, hoera! De zon wordt minder
Godzijdank, mijn huid die knelt
Jammer dat een echte blanke
tegenwoordig niet meer telt

Zwijgen is goud

Vader en moeder praten
al een tijd niet met elkaar
Tegen mij zijn ze wel aardig
maar hun stilte weegt te zwaar
op mijn jonge smalle schouders
alle hulde voor mijn ouders
en voor die twee hun sterke wil
Nee, liefde kom ik niet te kort
maar het is in huis zo stil, zo stil
dat je er benauwd van wordt

Thuis is de sfeer te snijden
het vereist veel energie
Neem een kijkje bij de maaltijd
als we zwijgen alle drie
We vermijden elkaars blikken
'k Heb zo'n moeite met het slikken
Er is iets vreselijks op til
Al duurt de maaltijd maar heel kort
't is aan tafel stil, zo stil
dat je er benauwd van wordt

Vroeger in angst gezeten
al die ruzies zijn zo rot!
Als ze met deuren smeten
ze gooiden 'n heleboel kapot
Maar dat schelden en dat krijsen
was niet zo erg als dat zwijgen
waar je zo benauwd van wordt
Zo'n ruzie duurde meestal kort
daarom denk ik, ik, hun zoon:
'Vochten ze maar weer gewoon!'