terug

De Loop Der Dingen: Het Begin En Het Einde

Theo Maassen en Herman Finkers, dat waren toch wel mijn twee grootste voorbeelden. In je eentje op het podium staan, beetje praten, iedereen lachen, geld met emmers binnenharken: top. Toen ik studeerde had ik echter bij lange na niet het lef om dat te gaan doen, dus Delfts Blok was voor mij een ideaal alternatief: nooit in mijn eentje op het podium, en soms zelfs niet op het podium, maar iemand anders die mijn tekst deed, terwijl ik in de coulissen kon meeluisteren naar de reactie van het publiek. Heerlijk.

Ik weet nog goed toen ik voor het eerst alleen op het podium stond. Dat was nog voor Delfts Blok, bij mijn eerste cursus kleinkunst, op de open avond in het cultureel centrum van de TU Delft. Ik was een jaar of 21, en had na de tien cursusavonden eigenlijk alleen een liedje over angst voor zwemmen ("Ik voel me in het water/ als een vis op het droge"). Dat liedje zou ik op die open avond dan maar spelen, op gitaar, voor een man of 50. DOOD-nerveus was ik, maar toen ik het podium opging zakte dat wel wat weg. Bovendien zat er een blond meisje voor mij in de zaal, die het allemaal maar stoer vond wat ik deed. Dat hielp ook.

In het midden van het liedje gebeurde het: Ik raakte mijn tekst kwijt. In plaats van in paniek te raken, wat ik van mezelf zou verwachten, benoemde ik wat er gebeurde, hervond snel mijn tekst en zong de rest van het liedje.

Na het optreden zag ik het bedrukte gezicht van de cursusdocent, die zei "jammer hoor", maar het voelde voor mij niet als "jammer hoor". Ik had mezelf verrast met hoe ik mijn black-out had opgevangen. Later hoorde ik ook dat de helft van het publiek dacht dat het erbij hoorde (dat zou bij Delfts Blok nog wel vaker gebeuren).



Bij Delfts Blok schreef ik ook af en toe monologen en stand-up-achtige dingetjes, die leuk waren om aan de groep voor te lezen, maar waarvoor binnen een Delfts Blok-optreden meestal geen ruimte was- waar ik ook wel vrede mee had; ik bleef wel in de coulissen, bedankt. Totdat we 'de speeltuin' organiseerden.

Bij Delfts Blok wilden we voor het tweede programma aan zelf-ontplooiing doen, zoals ik eerder schreef, en één van de dingen die we daarvoor deden was 'de speeltuin': een zelf georganiseerde try-out-avond, waarop elke Delfts Blokker individueel de ruimte kreeg om eens te doen waar hij zin in had. Gedichten, verhalen, solo-optredens, popliedjes: Wat je maar wilde, of je er nu goed in was of niet. 'Ha', dacht ik, 'Dan doe ik een conference', nu zonder liedje, met alleen maar tekst, zoals Theo Maassen en Herman Finkers. Het moest er toch een keer van komen. Ook de anderen deden gekke dingen: Niels zong een liedje, Pascal deed ook een solo, Erik deed gedichten. Een beetje als vissen op het droge, maar dan enthousiaste, speelse vissen, met liedjes, gedichten en moppen.

In het kleine, sfeervolle Falie Begijnhoftheater in Delft zat die avond 60 man publiek, waaronder veel vrienden en bekenden. Toen het mijn beurt was, liep ik het podium op, en begon mijn tekst: over hoe ik niet zo goed was met meisjes, over de bijbel en evolutie: een beetje de clichés. Maar wel mijn clichés!



Dit keer raakte ik mijn tekst niet kwijt: ik had een briefje met tekst naast een flesje water liggen, waar ik met enige regelmaat op spiekte. Er werd soms gelachen om mijn grapjes, maar soms ook niet; er werd echter k af en toe gelachen om dingen die ik helemaal niet als grap had bedacht: dat was leuk! Het ging eigenlijk best wel goed.

Pim, onze regisseur, zei achteraf zelfs dat ik het eens bij Toomler moest proberen, hét stand-up-café van Nederland. Dat wilde ik stiekem natuurlijk best wel, maar ik geloofde niet echt dat ik dat zou kunnen. Net als toen René M. Broeders zei dat Delfts Blok mee moest doen aan cameretten, dacht ik: Ho even, het is pas mijn tweede keer! Dit keer ging het misschien best aardig, maar die dolksteken in je ziel als het misgaat, die kon ik nog niet aan.

Het einde van Delfts Blok was inmiddels nakende. Het tweede programma liep niet zo soepel, en ook Mojo, ons impressariaat, begon een beetje te mokken. Daarnaast waren meerdere Delfts Blokkers inmiddels afgestudeerd, soms met 40-urige werkweken, en hier en daar was er zelfs sprake van een zwangerschap, kortom: iedereen begon wat krapper in de vrije tijd te zitten.

Ik had inmiddels om volstrekt onduidelijke redenen een detachering in Den Bosch geaccepteerd: elke dag twee keer anderhalf uur met de trein, vier dagen per week. Bovendien was het met dat leuke, blonde meisje van het begin niks geworden, en had ik in plaats daarvan een tumultueuze chaosrelatie (tip: doe het niet): ook ik begon tijd te kort te komen. Kortom: bijna iedereen begon er wel vrede mee te krijgen dat Delfts Blok er misschien mee op zou houden, en dat iedereen iets meer vrije tijd zou krijgen. Iedereen, behalve Erik.

[wordt vervolgd]