portret
logo

Alex de Haas

Laatste nieuws
-al het nieuws over Alex de Haas

Velen zal de naam van Alex de Haas (Rotterdam 24-6-1896 - Rotterdam 4-1-1973) niets meer zeggen, maar vooral de oudere cabaretliefhebbers zullen zich zijn radioprogramma's nog wel kunnen herinneren.

De Haas als cabaretier, dichter-zanger
Als zoon van de komiek Nico de Haas kwam de kleine Alex (geboren als Alexander Nederveen) al vroeg in aanraking met de wereld van de revue. Als kind van vier jaar stond hij voor het eerst op een toneel als 'minatuur-humorist'. Zijn vader wilde echter dat hij een net burgervak zou leren en na de mulo bezocht hij de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam. Maar zijn hart lag bij het lied.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog zong hij bij het militaire toneel de liederen van Pisuisse, Speenhoff en Yvette Guilbert en richtte zijn eerste cabaretgroep 'De Petoet'. Na zijn diensttijd maakte hij zijn 'echte' debuut met Lou Bandy in het Haagse Moulin de la Chanson. Hier werd hij benaderd door Jean-Louis Pisuise die hem opnam in zijn cabaretgroep. Latere engagementen waren bij Speenhoff, Max van Gelder en de AVRO (Bonte dinsdagavondtrein). Jarenlang was hij de huisconferencier van het Tuschinski-concern, met name in het cabaret La Gaité. De krant schreef over zijn 'merkwaardig gescandeerde conference, zijn zwierige voordracht, zijn pretentieuze piano-slag'.
Opmerkelijk was ook dat De Haas - oer-Rotterdammer - samen met Max Tak veel liedjes heeft geschreven voor Nederlandse speelfilms, waaronder 'Amsterdam, er is geen stad die ook maar even aan je tippen kan' . Een ander bekend lied is de door Rijk de Gooijer populair gemaakte parodie op een straatlied, ' Johanna, een meisje voor halve dagen'.
Op de radio presenteerde hij radio-revues, historische reconstructieprogramma's en documentaires met titels als 'Weet je nog wel oudje', 'Au Salon des Variétés', 'Uit de schuifla', 'Alsof het gisteren was', 'Klankomrankte levens' en 'Schatten der Toenkunst'.

Gezelschap van Pisuisse. De Haas tweede van links. Pisuisse geheel rechts en zijn vrouw, Jenny Gilliams in het midden.

De Haas als cabarethistoricus
In 1958 publiceerde hij 'De Minstreel van de Mesthoop', een biografie over Neerlands eerste cabaretier Eduard Jacobs. Zelf beschouwde hij het als de eerste poging in Nederland om het chanson mondig te behandelen. Het boek was baanbrekend in de zin dat er nu serieus werk was gemaakt met de geschiedschrijving van het Nederlandse cabaretkunst.
Later zijn carriere op de planken gaf hij lezingen over cabaret en schreef vele artikels over amusement voor diverse bladen. Hij gaf ook les aan een kleinkunstcursus in Hilversum. In het Theaterinstituut te Amsterdam zijn nog opnames te vinden van zo'n cursusklas met deelnemers als Wim de Bie en Jan Fillekers (Farce Majeure).
In 1963 werd hem namens de Rotterdamse Kunststichting de Leuve-penning aangeboden wegens zijn culturele verdiensten voor de stad. In 1966 vierde hij zijn gouden jubileum op de planken van het Amsterdamse Tuschinski-theater met optredens van onder meer Toon Hermans, Bob Scholte, Willy en Willeke Alberti, Mieke Telkamp en Jasperina de Jong.

Feestje na afloop van de uitreiking van de Leuve-penning. Van links naar rechts: Toon Hermans, Rika Jansen, Alex de Haas en Hermans' vrouw Rietje

Wim Ibo
Als eerste echte cabarethistoricus van Nederland moest hij zien hoe Wim Ibo hem in roem voorbij streefde met zijn radio- en tv-programma's en de cabaretbijbel 'En nu de moraal van dit lied'. Na een stukgelopen samenwerking liet De Haas geen mogelijkheid onbenut om zich laatdunkend over Ibo ('de vrouw met de baard') uit te laten. Dat had De Haas natuurlijk niet had kunnen vermoeden toen hij Ibo op 18 juni 1941 in het radioprogramma Het Cabaret der Jongeren voorstelde aan de luisteraars. De vete met Ibo starte in 1962. Samen met Ibo en de fameuze acteur Cruys Voorbergh zou hij een serie uitzendingen maken over het Nederlandse lied. Hoewel Willy van Hemert als regisseur was benaderd vond De Haas dat hij dat net zo goed zelf in handen kon nemen, wat resulteerde in het eindigen van de samenwerking.
De Haas was een erudiete man die door zijn eigenwijze, eigenzinnige houding moeilijk was om mee samen te werken. Daarnaast was hij niet geschikt voor televisie vanwege een tic in zijn gezicht. Mede doordat het veel plezieriger was om met Ibo samen te werken, kreeg De Haas steeds minder werk aangeboden. Hij lag eruit en raakte verbitterd.
De laatste jaren van zijn leven werkte hij aan een omvangrijke biografie over J.H. Speenhoff die in 1971 verscheen onder de titel ''t Was anders'. Een werk over de Nederlandse revue, waarvan De Haas unieke kennis bezat, is er helaas nooit van gekomen.

Het kleinkunstarchief
Alex de Haas kende zijn beperkingen als artiest en was onverbloemd onder de indruk van mensen die in zijn ogen echte kunstenaars waren en wie hij vervolgens om een foto met handtekening vroeg.
Hij bouwde zo aan het grootste kleinkunstarchief van Nederland, naast vele duizenden liedjes ook vele melodieën, boeken, schilderijen en foto's. De Haas zei altijd: "Als ik sterf moet mijn hele archief verbrand worden. Ik wil liever dat het wordt vernietigd, dan dat 'amateurs' het in handen krijgen." Daarmee doelde hij met name op Wim Ibo. De Haas zag zichzelf als de grote expert omdat hij zelf alles had meegemaakt en niet Ibo die hij verfoeide als 'na-verteller'.
Ondanks de uitdrukkelijke wens van De Haas bood Kees Manders het archief te koop aan bij het Toneelmuseum in Amsterdam (tegenwoordig Theater Instituut Nederland). Dit met medeweten van de weduwe De Haas. Hij wilde er een miljoen gulden voor hebben, maar een taxatie leerde dat het archief niet meer dan 30.000 gulden waard zou zijn. (Een goede inschatting, want in de Volkskrant van 15 juni 1962 werd vermeld dat hij zijn archief voor 25.000 gulden had laten verzekeren!)
Uiteindelijk ging Manders overstag en kwam het totale archief van De Haas in handen van het Toneelmuseum. Boeken, de programma's en de bladmuziek werden toentertijd gewoon ingewerkt in de bestaande verzameling. Hierdoor is er geen aparte collectie 'De Haas', maar ieder boek kreeg voor het gecatalogiseerd werd een nummer in het zogenaamde 'stamboek' en bij de boeken die van Alex de Haas afkwamen voegde men aan het stamboeknummer AdH toe, zodat uit de oude stamboeken nog wel kan worden afleid wat er in de collectie zat.
Uit de geschriften van De Haas en zijn notities in sommige boeken bleek wel dat De Haas een ander concept van cabaret in zijn hoofd had dan Wim Ibo. Jacques Klöters zei ons hierover: "Het komt erop neer dat Ibo het cabaret zag als een bestaand genre, vooral gezien vanuit zijn eigen tijd en met Wim Kan en Lurelei als toppen. De Haas dacht vanuit het variete, avonden met verschillende artiesten met eigen acts, sommige van die acts waren wel eens zo hoog artistiek dat je ze cabaret kon noemen. Daarom ook staan er in het boek van Edmond Visser die ook zo dacht, ook dans- en pierrotnummers wat Ibo niet begreep. Ik begreep van Alex de Haas dat dans- en Pierrotnummers voor 1920 cabaretnummers werden geacht."

Alex de Haas overleed na een langdurig ziekbed aan kanker op 4 januari 1973, 76 jaar oud.

Discografie

- EP 'Alex de Haas' met 4 nummers (His Master's Voice EGH 167, vermoedelijk 1958);
- LP 'Hoed af voor Alex de Haas (Polydor 656.004, vermoedelijk 1967) - een hommage-elpee hoofdzakelijk met zijn repertoire vertolkt door anderen, maar toch ook 4 door hem zelf.
- LP 'Alex de Haas, de dichter-zanger' (Polydor 656.010 - 1968), met elf nummers
- het nummer 'Mensch durf te leven' op de elpee 'Door de nacht klinkt een lied' (Varagram 7175 - 1987)

Bibliografie

Liedjes van Alex de Haas/ ingel. door M.J. Brusse. - Maastricht : Leiter-Nypels, [1940]. - 95 p., [1] bl. pl. : ill., muz. ; 22 cm

De minstreel van de mesthoop : liedjes, leven en achtergronden van Eduard Jacobs : pionier van het Nederlandse cabaret : 1867-1914/ Alex de Haas ; behalve met vele fotogr. geïll. met prenten en tek. van Kees van Dongen ... [et al.]. - Amsterdam : De Bezige Bij, 1958. - 152 p. : ill., muz. ; 27 cm + Grammofoonplaat (45 tpm; 17,5 cm)
Met lit. opg.: p. 152.

't was anders : leven en levenskring van "De Heer J.H. Speenhoff, dichter-zanger" (1869-1945)/ door Alex de Haas. - Rotterdam [etc.] : Nijgh & Van Ditmar, 1971. - 277 p. : ill. ; 24 cm. - (Historische werken over Rotterdam ; dl. 11)
Bibliogr.: p. 276-277.
ISBN 90-236-9225-X

Door Richard van Bilsen

Met dank aan:
Jacques Klöters voor zijn anecdotes over Alex de Haas en de aanvulling betreffende de samenwerking met Max Tak.
Freddy Pille voor de discografie