www.zwartekat.nl - Verzamelpunt voor cabaret en stand-up comedy
portret

Toon Hermans

Toon Hermans (1916-2000) was cabaretier, zanger, kunstschilder en dichter. Met Wim Kan en Wim Sonneveld wordt hij gerekend tot 'de Grote Drie', de drie grootste Nederlandse cabaretiers van de generatie vlak na de Tweede Wereldoorlog.

Laatste nieuws
-al het nieuws over Toon Hermans

Bio.txt
Antoine Gerard Theodore Hermans wordt op 17 december 1916 in Sittard geboren als tweede van vijf zonen in de familie Hermans. Hermans' vader, Jean Baptiste Nicolas Hermans, is directeur van de Sittardse Bank, een centrale figuur in het geldverkeer tussen Duitsland en Nederland. Totdat de spectaculaire devaluatie van de Duitse mark in 1924 uiteenspat, waarbij de rijkdom een zeepbel blijkt te zijn. Hermans' vader raakt zijn baan kwijt en het gezin verhuist van een kapitale villa naar een kleinere woning. Na het overlijden van Hermans' vader om 1928 en met de crisis van de jaren 30 glijdt de berooide familie verder af naar bittere armoede.

Later zal Hermans zeggen dat juist die armoede hem de artistieke kant heeft opgedreven. In het KRO-radioprogramma Andersdenkenden zei hij hierover: "In zo'n klein stadje werd je door iedereen in die jaren gediscrimineerd. Je kon nergens aan meedoen. Ik had geen centen en ik kon niet naar de kermis; ik kon er alleen maar van veraf naar kijken. Zo'n kind gaat denken: 'Ik ga naar het theater. Dan sta ik in het spotlicht en gaat het ook eens om mij."

Hij is gefascineerd door het circus. Geld voor een kaartje was er niet, maar zolang de tenten in Sittard stonden, hing hij er rond. Hij zoog alles in zich op en speelde het na in het zijn eigen mini-circus. Voor de spiegel doet Hermans zijn held na, de theaterkomiek Johan Buziau, bekend van de Bouwmeesterrevue. Als het Cabaret der Onbekenden, een talentenjacht van de KRO, Heerlen aandoet wint de zestienjarige Hermans met zijn nagenoeg perfecte imitatie van Buziau.

Hij wordt lid van De Jonge Werkman, een jeugdbeweging op katholieke grondslag, die eigen revues speelt. Hij is pas zeventien jaar oud als het gezelschap de door hem geschreven, geregisseerde en voor een belangrijk deel ook gespeelde revue 'Zeg, hoe vind je dat?' in het plaatselijke patronaatsgebouw opvoert.

Professioneel artiest
In het begin van de oorlog treedt hij veel op met het Racket-Cabaret, maar Hermans wil meer en vertrekt in 1942 naar Amsterdam. Hij wordt aangenomen bij het cabaretgezelschap van Carl Tobi met Kees Pruis als centrale figuur. Daarna speelt hij in programma's van Frans Mikkenies Theaterproducties.

Na de oorlog krijgt Hermans een engagement bij Theater Plezier van Floris Meslier. Landelijke bekendheid krijgt hij door zijn optreden in het toentertijd enorm populaire radioprogramma 'De Bonte Dinsdagavondtrein' van de AVRO.

Begin jaren 50 ontmoet hij Rita Weytboer, met wie hij al snel trouwt. Tot aan haar dood in 1990 is Rietje zijn muze, steun en toeverlaat.

In 1951 vormt hij zijn eigen gezelschap. De eerste voorstelling, Hartenaas, is een succes. Hermans zoekt vernieuwing, iets anders dan de vooroorlogse revueformule. De volgende theaterprogramma's Ballot en Zaza zijn experimenteel, met kolderversjes, zotte gedachtenspinsels en decors. Geinspireerd door een reis door Amerika en zwerftochten door Parijs. Het wordt echter niet begrepen en Hermans besluit om het anders te gaan doen.

Geboorte van de Nederlandse one-manshow
Zijn reis door Amerika legt de kiem voor wat Hermans' grootste vernieuwing in het Nederlands cabaret zal zijn: de one-man show. Een avond lang alleen op het podium, in navolging van de Amerikaanse komiek Danny Kaye en de Franse chansonnier Maurice Chevalier.

In een interview met het Algemeen Dagblad noemt Hermans nog een andere aanleiding voor de geboorte van de one-manshow: "Met mijn gezelschap speelde ik het programma Zaza in de Kleine Komedie. In het Centraal Theater werden zogenaamde pauzevoorstellingen gehouden, die door journalisten waren georganiseerd. Steeds trad iemand op in z'n dooie eentje. Er werd gevraagd of ik ook eens zo'n pauzevoorstelling wilde geven. Zo'n half uur, meer hoefde niet. Dat kan ik niet, zei ik. Want ik had nog nooit in m'n eentje een half uur achter elkaar gewerkt. Toen zei iemand: veeg dan alles wat je hebt bij elkaar. Toneelmeester Van Lieshout van de Kleine Komedie ging met me mee. Na afloop zei hij: ik heb je nog nooit zo goed gezien. Ik later tegen Rietje: weet je wat die gekke Van Lieshout vanmiddag tegen me zei? Toon, ik heb je nog nooit zo goed gezien. Toch schijn ik te hebben beseft dat deze man een instinct had voor wat goed of slecht is, zoals veel meer mensen die achter de bühne werken dat bezitten. Toen was in feite de One Man Show geboren."

Op 2 oktober 1955 vindt in het sanatorium 'Hoog Laren' de eerste opvoering plaats van de eerste Nederlandse onemanshow ooit. 'Voor u Eva' is een half bedachte, half geïmproviseerde programma met conferences, mimiek, verbale fantasie, absurde kolder en liedjes. Het is een ongekend succes in de theaters. Op 12 april 1958 zendt de AVRO zijn tweede one-manshow uit op televisie. Toon Hermans groeit uit tot een nationale bekendheid. Voortaan was hij Toon.

Hermans brengt klassieke conferences als De stoel van zijn zuster, Snieklaas en De ornitholoog (Roepie-roepie vogel, Poelifinario). Klassiek is de sketch Society waarin hij vertelt hoe tijdens een galabanket een 'livreier' hem erop had betrapt een gehaktbal in zijn zak te hebben gestoken: 'Leg neer die bál'. Zijn mooiste conference is misschien wel de auditie van meneer Hartmann, waarbij komedie en tragedie perfect in balans worden gehouden. Door de timing van Hermans brult het publiek het uit als de goochelaar aan het eind van de toch al moeizame auditie beteuterd ontdekt: "De doif is toot, mijnheer." Zijn liedjes zijn van een geniale simpelheid, met klassiekers als Een ballonnetje, Mediterranée, Vierentwintig rozen, Café Biljart en Appels op de tafelsprei.

Voor de Efteling bedenkt met Ruud Bos de muziek voor de attractie Carnaval Festival. Tijdens de rit wordt het voor velen bekende aanstekelijke deuntje Taaa-ta-ta Taaa-ta-ta Ta-ta-daaah.

Hoewel hij graag zegt dat hij maar wat doet, is Hermans een perfectionist. Hij probeert alles tot in het kleinste detail uit en bemoeit zich met elk aspect van de voorstelling. Repetities worden opgenomen en nadien geanalyseerd. Hermans vergt het uiterste van zichzelf, maar ook van zijn mensen. In de tv-documentaire 'De kleuren van een clown' is te zien hoe hij schijnbaar ontspannen reageert op reacties uit de zaal, totdat de camera zwenkt en de zaal leeg blijkt te zijn.

Cabaretier of volkshumorist
Toon over zijn humor: "Het is kleinkunst die uit het niets komt. Ouwehoeren over pietluttige dingen. Carnavalistische kermishumor. Dat is 't. En soms ben ik een poeëtje. Als ik zing over mooie beelden van het leven." (Eindhovens Dagblad, 1996) Hermans wil alleen maar amuseren, het moet in elk geval altijd in alle opzichten een aangename avond worden. Sarcasme en spot past daar niet bij. "Ik heb mijn leven lang geprobeerd typisch menselijke humor te brengen die over de hele wereld door mensen begrepen wordt. Welbewust en doelbewust heb ik gemikt op een internationaal repertoire, niet gebonden aan politieke wendingen, of aan actualiteiten of zo. Voor de mensen die dat wel doen, die zich specifiek bepalen tot politieke cabarets en tot meer literaire zaken dan ik, ik bedoel in de verste verten niet denigrerend over die mensen te spreken, maar ik heb het altijd gezocht in de wat uitgebreidere vorm van humor", citeert Wim Ibo hem in zijn Cabaretbijbel.

Zijn opstelling levert hem in de jaren zestig ook veel kritiek op van de jonge generatie cabaretiers. Deze verwijten hem een gebrek aan (politiek) engagement. Hermans ziet zichzelf dan ook meer als entertainer dan als cabaretier. "Ik ben vooral een carnavalsgek en val niet onder het Ca-Ba-Ret. Ik ben altijd in het rijtje gezet van Sonneveld en Kan. Maar ik had geen enkele affiniteit met ze. Ik mocht die mensen graag - en zij mij ook - maar ik ben toch een andere mens. Ze zijn prachtig hoor, al die cabaretiers, maar het raakt me voor geen cent. Geef mij maar een gewone stomme bak zoals ze dat in Limburg kunnen. Moppen uit Limburg, die kin ich gaar nit vertaole. Dat is een andere geaardheid. Ik heb wel eens gezegd: als ik Limburgs spreek dan proef ik champagne, als ik Nederlands spreek sinaasappelsap." (NRC, 03-02-1996)

In een ander interview uit 1996 distantieert Hermans zich fel van het cabaret. "De teneur is ordinair en banaal. Ik vind het vaak ontoelaatbaar. Soms op het fascistische af. Ze gebruiken het toneel als spuugbak. Om maar op alles en iedereen af te geven. Laatst hoorde ik zo iemand op de buhne zeggen: 'Ik zoek een non om in de bek te schijten.' Dat gaat toch alle perken te buiten. Dat is fascistisch. Maar ze doen maar. Ik hou vast aan mijn stijltje om iedereen in zijn waarde te laten. Kritiek spuwen, mensen neersabelen, het is zo gemakkelijk. Maar ik denk altijd: ik heb zoveel op mezelf aan te merken. Waarom zou ik dan anderen moeten neerknuppelen? Trouwens, ik kan mensen geen pijn doen. Dan doe ik mezelf pijn. Zou ik mezelf verloochenen. Een kritische opstelling mag van mij gerust. Maar dat ze met hun grote bek dan ook eens een keer wijzen op de positieve kant van het leven. Op het licht. Nee, het is droevig gesteld met de Nederlandse cabaretiers. Ze schotelen de mensen alleen maar duisternis voor. Laat mij dan nog even zomaar wat ouwehoeren." (Eindhovens Dagblad, 1996)

In november 1999 verklaart hij bij de uitreiking van de 'Edison van de Eeuw' temidden van de cabaretdeskundigen nadrukkelijk niet als cabaretier de geschiedenis in te willen gaan. "Wim Ibo heeft mij eens 'volkshumorist' genoemd. En dat ben ik. Dat zal ik blijven zolang als ik leef."

Amerika
Hermans is eind jaren zestig aangeslagen door de kritiek. Hij besluit in 1968 naar Amerika te gaan met als doel om met een Engelstalig programma op Broadway te staan. Maar Hermans schrikt er uiteindelijk voor terug. In Verhalen uit mijn leven (1986) beschrijft hij hoe de moed hem in de schoenen zonk, toen hij met de New Yorkse theaterproducent een kijkje nam op het podium van The Golden Theatre. Victor Borge zou er die avond staan, zoals alle avonden, al twee jaar lang. 'What about you, Toon?', vroeg de producent. 'Onmiddellijk dacht ik: dat red ik nooit, twee jaar niet thuis, mijn eigen bed kwijt, mijn ontbijt met de boerenboterham...'" Hij schrijft ook: "dat showbusiness ook organisatie is. Daar klopte bij ons werkelijk niks van." In de Nederlandse pers wordt gerept over een mislukking, maar de reacties op de try-outs in Canada zijn positief.

Midlife-crisis
Na het Amerikaanse avontuur belandt hij in een midlife-crisis. Uit die tijd stamt de ommekeer. De flierefluiter van weleer, de harde werker, de rusteloze bon vivant die altijd maar onderweg was, stevig rookte en dronk, was een honkvaste huisvader geworden die landschapjes en portretten schilderde, de stilte in de natuur en het gezelschap van bomen en vogels opzocht, en heil vond in het formuleren van zijn hersenspinsels. (Volkskrant, 2000) Hij vindt nieuw succes als schrijver met de dichtbundel Liggen in het gras (1978). Meer 'versjes' (zoals Hermans het noemt) volgen met bundels als Fluiten naar de overkant (1979), Waar ben je? (1980), Ik heb het leven lief (1981) en De danstent in de wei (1982).

Na Rietje
In 1990 overlijdt Rietje aan kanker. Hermans is kapot, maar gaat door met optreden. Zijn nieuwe programma 'Ik heb je lief' is een ode aan de vrouw met wie hij 43 jaar getrouwd was geweest en de moeder van zijn drie zonen. Het is een emotioneel zwaar programma en op 12 februari 1993 wordt het verdriet Hermans teveel. De tranen lopen hem plotseling over de wangen en hij verlaat het toneel. Alle verdere voorstellingen worden afgelast.

Drie jaar later keert hij terug met een nieuwe one-manshow. Het publiek geniet van zijn liedjes, zijn lotgevallen als couveusekindje, zijn Sint-memoires, zijn excentrieke ooms en tantes en over 'geen' vrolijke liedjes uit zijn jeugd.

Dan begint Hermans steeds meer gezondheidsproblemen te krijgen. Eerder onderging hij al een openhart-operatie. In november 1998 wordt een goedaardig hersentumor met succes verwijderd. Een jaar later verkondigt hij in het Theaterinstituut dat hij werkt aan een nieuwe show, een CD en een boek. Op 22 april 2000 overlijdt Toon Hermans aan enkele hartaanvallen. Het boek en de CD verschijnen postuum.

De Grote Drie
Met Wim Kan (1911-1983) en Wim Sonneveld (1917-1974) vormt Hermans De Grote Drie, de mannen die het cabaret in de jaren zestig domineerden. Een even eervolle als onzinnige kwalificatie, volgens Hermans. Ieder mens is uniek, meende hij, en onderling waren ze niet te vergelijken. Dat klopt. Kan was de politieke conferencier, Sonneveld de verfijnde kleinkunstenaar en Hermans de clown. Maar feit is dat Kan, Sonneveld en Hermans het Nederlandse cabaret en amusement ieder op hun eigen wijze hebben vernieuwd en volwassener gemaakt. Dat en hun vakmanschap, uitstraling en populariteit maakten ze tot de grootste drie podiumpersoonlijkheden van hun tijd.

Toon leeft voort
Na een voorbereidingstijd van twee jaar is het dan eindelijk zover. In november 2003 verschijnt onder de titel Toon, Het Verzameld Werk de langverwachte, unieke box met alle hoogtepunten en bijzondere opnamen uit het omvangrijke oeuvre van Toon Hermans. Tijdens hun zoektocht in de archieven kwamen de samenstellers juweeltjes van opnamen tegen. Veel onbekend materiaal dat nog nooit eerder op plaat, laat staan op cd, werd uitgebracht.

In 2005 verschijnt de DVD-box One-man shows 1958-1997. Niet alleen bevat de box alle one man shows in de periode 1958-1997, maar is ook nog eens voorzien van vele, vele extra's. Samen met de CD-box is het oeuvre nu bewaard en beschikbaar voor generaties die de clown uit Limburg nooit hebben gekend.

Tien jaar na zijn overlijden wordt Toon Hermans geëerd met Toon 2010. De gemeente Sittard-Geleen en de Stichting Toon Hermans Jaar 2010 hebben in samenspraak met de familie Hermans een gevarieerd programma samen gesteld voor het jubileumjaar Toon 2010. Gedurende het gehele jaar staan er verschillende festiviteiten in het teken van het werk en leven van Hermans. In 2010 verschijnt ook 'Toon de biografie' van Jacques Klöters.

Gebruikte literatuur:
100 jaar amusement in Nederland / Jacques Klöters, 1987
De clown is dood / Peter van Brummelen, in: Parool, 25-04-2000
Laatste grote clown uit het Nederlandse theater / Henk van Gelder, in: NRC, 25-04-2000
Ik ben meer voor de prettherapie / ANP, 25-04-2000
Afscheid van een unieke clown, in: Trouw, 26-04-2000
Toon dee maar wat / Nicoline Baartman, in: Volkskrant, 26-04-2000
De clown is dood, mijnheer / Jan Paul Bresser, in: Elsevier, 29-04-2000

en vele, vele andere knipsels.