nieuws  voorpagina | archief | volg ons via twitter.com/zwartekat Instagram Spotify Twitter Facebook Youtube
Nieuws

Culture Comedy: State of the Industry over stand-up comedy

Culture Comedy Award

Op 18 en 19 januari vinden in het Parktheater in Eindhoven de finales plaats van de tiende editie van de Culture Comedy Award.
www.comedyaward.nl

In het kader van de tien jarig jubileum heeft de organisatie van de Culture Comedy Award oud-finalist en journalist, Rutger Lemm gevraagd een ‘State of the Industry te schrijven over het genre stand-up comedy en de ontwikkeling daarvan in Nederland.

State of the industry

In september 2012 hield Patrick van den Hanenberg de jaarlijkse Cabaretlezing tijdens de uitreiking van prijzen voor het beste (de Poelifinario) en het meest veelbelovende (de Neerlands Hoop) cabaretprogramma. De theaterrecensent van de Volkskrant benadrukte het belang van de twee prijzen en probeerde tussendoor een definitie van cabaret te formuleren. Zo kwam de spreker onvermijdelijk langs stand-up comedy, een genre waar hij hoorbaar mee worstelde.

“Stand up comedy is in de Verenigde Staten vooral een uitingsvorm van minderheden,” zo stelde hij. Van den Hanenberg prees Raoul Heertje en Jan Jaap van der Wal, omdat ze als artistieke leiders van Comedytrain “de Amerikaanse stand up een Nederlands tintje hebben gegeven door de oppervlakkigheden en schoonmoedergrappen naar de marge te dirigeren”. Hij sprak lang over het belang van hun comedycollectief, maar vooral als “springplank” naar het hogere cabaret. Comedians laten zich gelukkig “omscholen”, waarbij “licht en decor” steeds belangrijker worden en ze zo gelukkig alsnog “een plekje onder de cabaretzon veroveren”, aldus van den Hanenberg. In het latere juryrapport van de voor de Neerlands Hoop genomineerde Thijs van Domburg werd ook met enig ongenoegen geconstateerd dat zijn act “nog steeds voor 50 procent uit stand up comedy bestaat”.

Voor een kunstgenre dat al meer dan twintig jaar in Nederland bestaat, is er nog veel onduidelijkheid over wat stand-up comedy precies inhoudt. Theatermensen als Van den Hanenberg zien het nog altijd als een oppervlakkige en veelal banale cabaretvariant, die enkel nut heeft als voorpoortaal voor de edele kleinkunst. Mede dankzij deze denigrerende houding heeft de vorm op zichzelf nooit een groot publiek bereikt, en weten veel gewone mensen niet eens dat het bestaat als onafhankelijke theatervorm. De naakte setting van een comedian op een podium met niets dan een microfoon en zijn verhaal vormt voor velen vooral een angstbeeld, een soort Try Before You Die, in plaats van een serieuze kunstuiting. Op deze manier is de cabaretzon inderdaad de enige warme plek voor een ambitieuze grappenmaker, en heeft Comedytrain zich steeds nadrukkelijker als opleidingsinstituut voor een grote broer ontwikkeld.

Ik begrijp het ook wel. Ik ben zelf opgevoed met cassettebandjes vol cabaret, eerst met Wim Sonneveld en Toon Hermans, later met Youp van ’t Hek en Herman Finkers. Mijn vader en ik beluisterden ze in de auto als hij me ergens heen bracht, en op weg naar een vakantiebestemming verdreef het hele gezin op deze manier de verveling. Ik werd betoverd door deze combinatie van grappen maken en het vertellen van grandioze verhalen. Al snel kende ik hele shows uit mijn hoofd en kon ik op verjaardagen en op het schoolplein groepen mensen vermaken met mijn bescheiden imitaties van mijn podiumhelden.

Toen ik op mijn zestiende voor het eerst Toomler bezocht, had ik hetzelfde beeld als van den Hanenberg. Cabaret was voor mij de mooiste theatervorm die er bestond. Ik wilde zelf cabaretier worden, mensen in vervoering brengen met mooie, grappige verhalen, en zag Comedytrain als een springplank, een leerschool die mijn helden Theo Maassen, Hans Teeuwen en Jan Jaap van der Wal had gelanceerd. Ik had geen idee wat stand-up comedy was. De enige comedians die ik had gezien, waren de Amerikaanse minderheden bij het tv-programma de Comedy Factory van Jörgen Raymann, die vooral banale grappen maakten.

Toomler bleek meer dan een voorportaal te zijn, en ook geen plek voor (louter) banaliteiten. Het was een plek waar elke keer spannende dingen gebeurden, waar door originele denkers en unieke persoonlijkheden op rauwe wijze de waan van de dag aan flarden werd gescheurd. Het was soms gênant, soms briljant, en juist in dat contrast, in die vreemde mix van concentratie en nonchalance, school de kracht. Ik kwam steeds vaker in Toomler, en ook als ik een goede comedian een grap voor de tweede keer zag doen, moest ik lachen. Elke avond was totaal anders. Ik kon een show van Herman Finkers uit mijn hoofd leren, maar hiervan kon ik alleen geniale flarden navertellen. Juist door de rauwheid en het onverwachtse ontstond er bij mij een nieuwe fascinatie.

Toen ik zelf mijn eerste schreden op dat kwetsbare podium zette, ontdekte ik al snel hoe verschrikkelijk moeilijk het was. De korte duur van het optreden, het pratende en drinkende publiek, de sfeer van het moment, mijn plaats in de volgorde van de avond: het vroeg om een ultieme prestatie. Toch waren er ook hier trucs. Je openingsgrap en je eindgrap moesten goed zijn, dus ik positioneerde mijn succesnummers zorgvuldig. Je moest de sympathie van de zaal voor je winnen, en daar kon ik met mijn tandpastaglimlach meestal wel voor zorgen. Je moest iets te vertellen hebben, dat was moeilijker, maar zelfs de meest willekeurige grappen kunnen met wat geknutsel aan elkaar verbonden worden. Na twee jaar optreden, onder andere in een fantastische begeleide finalistentour met de Culture Comedy door heel Nederland, werd ik aangenomen bij Comedytrain.

Optreden in Toomler was heel dubbel. Aan de ene kant zat de zaal meestal vol en wist ik inmiddels goed hoe ik tijdens de tien minuten kon overleven en overtuigen. Maar na afloop werd er traditiegetrouw nabesproken met de collega’s van die avond, en die waren minder makkelijk te bedriegen. Ik kon me in hun ogen niet verschuilen achter de mijn gewiekste comedyformule of de theatrale trucs die ik in de loop der jaren bij schooltoneelstukken had geleerd. Ik kon geen grappen van Hans Teeuwen navertellen of op een andere manier de aandacht afleiden. Ik moest het helemaal zelf doen. Het dwong me om bij mezelf te rade te gaan, op een manier waar ik in mijn dagelijks leven helemaal nog niet klaar voor was. Wie was ik? Wat wilde ik vertellen? Wat vond ik belangrijk?

De overlevingstrucs die mijn collega’s genadeloos aanwezen, bleek ik ook bij het versieren van meisjes toe te passen. De irritante tics die me bij het terugkijken van mijn optredens opvielen, bemerkte ik opeens ook terwijl ik in supermarkt rondliep. Ik werd hyperzelfbewust, tegelijk genadeloos en blind voor mezelf. Op een avond zat ik in een leeg Toomler na te drinken met een aantal bevriende comedians, toen ik halfdronken zei: “Het is zo frustrerend hoe dat,” ik wees naar het podium, “met dat,” ik wees naar de uitgang, “te maken heeft.” Zij knikten ernstig boven hun bier, alsof ik zojuist een belangrijk raadsel had opgelost. “Het is goed dat je dat nu al snapt,” zij er een. Maar begrijpen is een ding, toepassen is iets anders. Ik bleef me verschuilen op het podium, ook al had het publiek dat niet door. Mijn proeftijd bij Comedytrain werd uiteindelijk niet verlengd en na vier jaar was mijn carrière als comedian voorbij.

Inmiddels was hard//hoofd, het online tijdschrift dat ik met een aantal vrienden had opgericht met succes gelanceerd, en ik werd hoofdredacteur en freelance journalist. Ik dacht soms met weemoed en enige rancune terug aan mijn tijd op het podium. Ik begreep nog steeds niet helemaal waarom het me niet gelukt was, en wanneer ik per toeval op netjes genoteerde commentaren van ex-collega’s stuitte, drong nog steeds niet tot me door wat ze precies wilden zeggen. Tot ik afgelopen zomer na een zwaar jaar van talloze deadlines en hoge ambities op een dag instortte. Ik lag wekenlang met een verschrikkelijke pijn in beide polsen in bed apathisch naar het plafond te staren. Een burn-out. Op mijn zevenentwintigste.

Tijdens het trage herstelproces merkte ik al snel dat wat de yogalerares, shiatsu-masseur, fysiotherapeut en psychiater tegen me zeiden, grote overeenkomsten vertoonde met het commentaar dat ik ooit op mijn comedy-act had gekregen. Ze zeiden dat ik een manier had gevonden om mezelf te spelen, dat ik niet in contact stond met mijn gevoel, met grote spanningen tot gevolg. Ik wilde voortdurend iets bewijzen, maar zonder mezelf echt kwetsbaar op te stellen. Ik benaderde emoties rationeel, en rationele zaken emotioneel.

Het bracht me nieuwe waardering voor het ideaal van de stand-up comedy. Juist door de minimalistische setting, zonder licht of decor, dwingt het de comedian als het goed is om genadeloos voor zichzelf en de wereld te zijn. Je wordt een beter mens, en dus een interessantere artiest. Het is daarmee een van de meest oprechte kunstvormen. Er zijn geen vluchtroutes. Ik zag dat zelf pas op het moment dat ik zelf geen kant meer uit kon en opnieuw moest leren wat ‘eerlijkheid’ is.

De Amerikaanse comedian Louis CK verwoordde dit nog het beste tijdens een eerbetoon aan de legendarische collega George Carlin, in 2010. Hij vertelde hoe hij na vijftien jaar optreden met een degelijk uur aan materiaal, opeens genoeg had van zijn act. Hij haatte zijn grappen en de zijn middelmatige optredens en overwoog te stoppen, tot hij in de auto naar een interview met Carlin luisterde, die vertelde dat hij elk jaar al zijn materiaal weggooide en opnieuw begon. Dit leek CK het engste wat er bestond, maar hij besloot desondanks hetzelfde te doen. Dit dwingt hem nog steeds elk jaar tot een nieuwe focus en nieuwe diepgang: “Je bent klaar met de grappen over vliegtuigen en honden, dus dan moet je verder graven. Dan vertel je grappen over je gevoelens en wie je bent, en dan is dat ook op. Je moet nog verder, dus je vertelt grappen over je angsten en je nachtmerries. Uiteindelijk kom je uit bij krankzinnige dingen.”

De stijl van Louis CK is in zekere zin vergelijkbaar met zwartgallige, nietsontziende cynisten als Bill Hicks en Doug Stanhope, maar de laatste jaren laat hij ook steeds meer ruimte voor tederheid toe. Hiermee ontpopt hij zich steeds meer tot een echte waarheidsverteller, die de desillusie van ons dagelijks bestaan erkent, maar tegelijk de mooie kanten bespreekt (zonder dat dit moralistisch of geforceerd gevoelig wordt). Zoals het leven echt is. Niet louter deprimerend, maar ook niet alleen maar leuk.

Deze wetteloze, willekeurige golfbewegingen van het fascinerende mensenbestaan worden zelfs nog beter weergegeven in zijn tv-serie Louie. Geen enkele scène pakt zo uit als je gewend bent, veel verhaallijnen stranden halverwege de aflevering, en Louis’ moeder wordt door twee verschillende actrices gespeeld. Soms krijgen we een kijkje in zijn bizarre fantasie, andere keren lachen we om zijn onbeholpenheid, dan weer ontroert hij ons met een oprechte dialoog. De show is als het leven zelf: vreemd, subtiel, mislukt, onwennig, mooi, grappig, frustrerend.

Wij zijn gewend geraakt aan bedrog. Elke dag zien we zorgvuldig gekozen profielfoto’s op Facebook, liegende en draaiende politici, manipulerende reclame, een nieuwsstroom waarvan we weten dat er veel niet verteld wordt. We zijn ook bedreven geworden in het bedriegen van onszelf. We werken door terwijl we hoofdpijn hebben. We tonen geen zwaktes en zijn doodsbang voor stiltes of stilstand. We netwerken met een tandpastaglimlach. We vermaken ons met 3D-films over vleermuishelden en vechtende dwergen. We gebruiken drank en drugs om een dubbele laag van bedrog te creëren.

Juist in deze tijd, waarin (zelf)bedrog duidelijker dan ooit aanwezig is, waarin niemand meer weet wat echt is, is er een behoefte aan een rauw soort kunst. Een kunst die ons nog steeds wegvoert van ons dagelijks leven, die niet louter beschrijft, maar die niet te ver van onze werkelijke ervaring af ligt. Een kunst die net naast het leven gaat zitten, en in voortdurende dialoog met de realiteit staat. Geen bedrog of verre tochten, maar fictie die ons met onze eigen ficties confronteert. Kijk naar Louie, maar ook naar The Wire. Lees Leaving The Atocha Station van Ben Lerner. En bezoek stand-up comedy.

In de inleiding van het boek ‘Nee jij bent leuk’, dat in 2003 ter gelegenheid van het 12,5-jarig bestaan van Comedytrain werd uitgebracht, betoogde Henk van Gelder (Koning der cabaretrecensenten) dat Nederland stand-up comedy al voorbij was en dat de ‘ontdekking’ van stand-up comedy in Nederland vergelijkbaar was met de herintroductie van de postkoets. Hij vergeleek comedians met de vooroorlogse conferenciers die “op een slimme manier een aantal moppen aan elkaar praatten”. Daaruit kwam het intelligentere cabaret van de Grote Drie voort, waarna Freek de Jonge en Youp van ’t Hek volgden. Zij “beantwoordden aan alle dramaturgische wetten van het theater”. In Engeland en Amerika bleef men echter hangen in het simplisme van de conferencier, waar “komieken op een kaal podium een reeks moppen of komische observaties zonder kop of staart stonden te debiteren”. In Nederland “hadden zulke kwinkslagen een fraaie bedding gekregen, waarin ook decor, licht en andere theatereffecten een rol gingen spelen”.

Het getuigt van zelfspot dat Comedytrain deze inleiding plaatste. Maar Van Gelder begrijpt niets van de potentiële kracht van stand-up comedy, of wat het überhaupt is. Zoals ikzelf ooit zijn mensen als van den Hanenberg en van Gelder te verliefd op cabaret om andere podiumkunsten nog in hun eigen licht te zien. Ooit moest het cabaret in Nederland hard vechten om serieus genomen te worden door het theaterestablishment. Het is ironisch om te zien dat de vaandeldragers van dat cabaret nu vaak op dezelfde manier neerkijken op stand-comedy.

Het lijkt er ook op dat men na overdonderende binnenkomst van grote talenten de invloed van het genre bewust heeft proberen te verminderen. Sinds 2007 won geen enkele cabaretier met comedy-achtergrond Cameretten, in 2006 was dit voor het laatst het geval bij het Leids Cabaretfestival (met de uitzondering van de Vlaming Jeroen Leenders in 2010). Cameretten kon dit jaar niet om René van Meurs heen, en brak zo de ban. Maar met name in 2008 was de verontwaardiging groot toen publieksfavoriet en Comedytrain-lid Kees van Amstel zonder duidelijke reden in de halve finale van het Leids Cabaretfestival strandde.

Henk van Gelder heeft gelijk als hij zegt dat het Nederlands cabaret een “razend interessant” en “uniek” genre is. Daar mogen we heel erg trots op zijn. Maar stand-up comedy is een autonoom en gelijkwaardig genre. Natuurlijk is het een importproduct, dat niet op natuurlijke wijze in de theaters is ontstaan. Natuurlijk zijn er slechte comedians die banale grappen maken en geen kijkje in hun ziel bieden, of geen ziel hebben. Toch rechtvaardigt dat de minachting niet. Stand-up comedy heeft zich ook zonder lichten en decors zich tot een fascinerende, op zichzelf staande theatervorm ontwikkelt.

Laten we koesteren hoe die twee vormen elkaar beïnvloeden in ons land, met het toepasselijk betitelde Functioneel Naakt (2002) van Theo Maassen als absolute hoogtepunt. Het is ook geen toeval dat Freek de Jonge zich op het Amsterdam Comedy Festival in 2008 glansrijk staande hield als comedian. Er zijn genoeg overeenkomsten. Maar laten we ophouden met pretenderen dat de ene vorm minder is dan de ander, en dat de uitvoerders zich naar de meer verheven variant moeten ontwikkelen.

Het gaat niet goed met stand-up comedy. Steeds meer comedygezelschappen vallen uiteen en comedyclubs sluiten hun deuren. Het leeft niet bij het publiek en wordt niet gewaardeerd door experts. Maar de Amerikaanse stand-up comedy is geboren in de crisis van de jaren ’30, toen de conferenciers van de vaudeville zich samen met jazzbands in de kelders van nachtclubs terugtrokken en onder harde omstandigheden hun stijl moesten verfijnen. Laten we hopen dat deze nieuwe moeilijke tijden tegen alle verwachting in voor een nieuwe waardering en definitieve acceptatie van de stand-up comedy zorgen, zodat er een nieuwe Hans Teeuwen of Theo Maassen kan opstaan. Want juist nu hebben we behoefte aan rauwe waarheidsvertellers, die ons zonder trucs of afleiding vertellen wat we niet willen horen. Over onszelf en over de wereld.

Rutger Lemm, januari 2013.

Rutger Lemm stond in 2007 in de finale van de Culture Comedy Award, was twee jaar proeflid bij Comedytrain, schreef mee aan ‘Dit was het nieuws’ en is essayist/ columnist bij o.a. NRC.next, NRC Handelsblad en ex-hoofdredacteur en mede-oprichter van online magazine hard/hoofd.

Categorie: Divers, Festivals | Meer over: ,
Richard van Bilsen. Eindbaas Zwartekat.nl.