terug

De Loop Der Dingen: De Kleine Komedie



Als gevolg van onze winst in de finale mochten we een paar keer optreden in de finaletour, maar nog belangrijker was dat we nu naam voor onszelf hadden gemaakt, waardoor het regelen van optredens een stuk eenvoudiger werd. "Het wereldje" weet wie het Groninger Studenten Cabaret Festival wint, en mede daardoor kregen we meer uitnodigingen om cabarestafette-achtige dingen te doen. Bovendien, als we zelf een podium opbelden, en de persoon aan de andere kant van de lijn vroeg wie de fuck wij waren, dan konden wij zeggen: Winnaars! Van Groningen! En dan was er vaak wel plek. Er gaan, kort gezegd, deuren open als je wint.

De dag na het festival mochten we bijvoorbeeld al langs bij het radioprogramma van Jac. Goderie, en speelden we op nationale radio het liedje over de bibliothecaris. (En zagen we Birgit Schuurman zo maar in het echt! Tel uit je winst!) Gek idee: vier dagen eerder waren we niet veel meer dan studenten met een theaterhobby; en ineens kon de hele familie op de radio naar je cabaretgroep luisteren.

Ook werden we een paar maanden later uitgenodigd bij radio west, om te komen praten en een liedje of twee te spelen. Ook aanwezig bij die uitzending was de baas van het theaterimpressariaat Mojo, en hij drukte na afloop van de uitzending een visitekaartje in onze handen. En zo hadden we ineens een impressariaat, en niet zo maar één: hetzelfde impressariaat van Freek de Jonge, Acda en de Munnik, en nog veel meer. Gek idee.

En ineens hadden we ook contact met De Kleine Komedie.

We hadden goed en wel dat leuke half uur van Groningen, toen we het aanbod kregen om binnen een jaar vijf maal avondvullend in de Kleine Komedie te spelen. Avondvullend, voor de duidelijkheid, dat is langer dan een leuk half uur. Meer dan twee keer zo lang.

We twijfelden, want we hadden sterk het vermoeden dat we daar nog niet klaar voor waren. We lieten onze regisseur, Pim, die er die avond niet was, weten dat we het maar niet moesten doen.

De volgende repetitie-avond waren we met zijn elven al in de zaal aanwezig, toen hij binnenkwam. Op dat moment leek de zon te verdwijnen, en het voelde alsof de temperatuur in de repetitieruimte daalde. Een vreselijk onheilspellend gevoel kwam over ons. Pim stond daar, zijn jas nog aan, bliksem flitste, en hij zei met donderende stem: "Als de Kleine Komedie je vraagt, dan zeg je geen nee. Als de Kleine Komedie je vraagt om vijf avonden op te treden, dan ga je vijf avonden optreden". Wij waren stil. Een enkeling slikte, deed zijn kraag wat losser. Er viel een speld.

Voor Pim, van de kleinkunstacademie, was de Kleine Komedie heilig: Hallelujah. Het mekka van cabaret. Dat wisten wij niet. Voor ons, technische studenten, was 'logisch nadenken' heilig. Als we die avond hadden gezegd "Dat is allemaal leuk en aardig, maar we gaan het niet doen, Pim", dan hadden we misschien geen regisseur meer gehad. Gelukkig was Pim voor ons nog ietsje heiliger dan logisch nadenken. We gingen vijf keer avondvullend in de Kleine Komedie optreden. Gek idee.

[wordt vervolgd]