De artiestenbeurs was een wekelijkse markt waar amusementsartiesten en directeuren van cabarets, variétés en andere uitgaansgelegenheden elkaar ontmoetten om te onderhandelen over engagementen (optredens).
Het artiestenleven was in die tijd erg zwaar. Met harde werkomstandigheden en uitbuiting binnen de amusementsindustrie, waarbij artiesten, vaak gedwongen tot oneerlijke contracten en lage lonen, hun waardigheid opofferen voor vermaak. Daarnaast is er de concurrentie van Duitse artiesten die in Nederland werk zoeken omdat Duitsland economisch lijdt onder de herstelbetalingen na de Eerste Wereldoorlog.
De tekst belicht de rol van agenten en directeuren, die profiteren van de economische kwetsbaarheid van artiesten. Waarbij de schrijver zich voordoet als directeur van een te openen cabaret.
Frank van Waes was het pseudoniem van Adrianus Michiel de Jong (1868-1943), beter bekend als A.M. de Jong, schrijver van de romancyclus Merijntje Gijzens jeugd en jonge jaren en de teksten van de strip Bulletje en Boonestaak. In 1942 werd De Jong wegens zijn socialistische sympathieën door de Duitsers gearresteerd, maar al snel weer vrijgelaten wegens zijn slechte gezondheid. Als represaille voor de moord op een aantal NSB’ers werd hij in 1943 vermoord door Nederlandse SS’ers, één van de slachtoffers van de zogenaamde Silbertanne-acties.
Verspreid over tien dagen publiceren we elke dag een nieuw hoofdstuk. Vandaag het voorwoord en hoofdstuk 1.
VOORWOORD
volgend hoofdstuk
Een voorwoord’ – dat eigenlijk een nawoord is.
De hierachter volgende hoofdstukken verschenen voor enige tijd als artikelen-serie in “Het Volk”. Ze hebben in verschillende bladen nogal commentaar uitgelokt. En die commentaren zijn leerzaam geweest.
De katholieke pers meende, dat “Het Volk” met deze soort beschouwingen aardig op weg kwam naar “Eer en Deugd”-bestrevingen. Het is nodig hier nogmaals vast te stellen, dat dit pure dwaasheid is. Dat het socialisme niet blind is voor zeker verval van het mensenleven in deze tijd, wil niet zeggen, wat het zich wel als een blinde gedraagt tegenover de oorzaken dier verwording en derhalve persoonlijke deugd-propaganda als het geneesmiddel zou willen aanbevelen. Wie er een systeem van maakt, mensen als last- en werkdieren te gebruiken, moet niet verbaasd zijn als deze misbruikte mensen wat heel erg tot de zedelijkheidsopvattingen van het dier nadelen. Wie een vrouw zó weinig laat verdienen, dat ze er niet van eten kan, moet niet tot haar gaan met een traktaatje over de erfzonde, de vrije wil en de hel, als ze op minder kiese wijze het ontbrekende tracht bij te verdienen. Wie van de mens eist dat hij volledig als mens zal leven, zal hem zonder bekrompenheid als mens moeten behandelen. Wie in het leven van de vrouw deugd eist, moet zorgen, dat ze niet door nood en honger tot ondeugd gedwongen wordt. Wie weigert mee te werken om de maatschappelijke oorzaken van het verval radicaal weg te nemen, die moest zich beschamen, de slachtoffers dier oorzaken met preken aan boord te komen. – Het is daarom, dat het socialisme nooit vervallen zal tot de naargeestige methode van persoonlijke bekeringspogingen, maar het grote werk tracht te doen door de bekering van de mensheid, door de ombouw van het kapitalisme tot een gemeenschapssamenleving, die voor fatsoenlijke mensen bewoonbaar zijn zal.
Een deftige meneer “uit de hoofdstad” in de “Vlissinger Courant” meende, dat ik een smet wou werpen op de amusementskunstenaars. En om hen daarvan schoon te wassen vertelde hij, dat hij er verscheidene kende, die landhuizen bezaten of ze zouden kunnen bezitten, als ze; niet zo lichtzinnig leefden. – Ten eerste is het uit de artikelen duidelijk genoeg, dat ik geen smet wou werpen op wie dan ook, de typus van de woekerende agent, van de uitbuitende directeur, uitgezonderd. Die landhuizen zullen zeker de nodige hilariteit wekken op de artiestenbeurs en de meneer moet maar eens een statistiek maken van het aantal landhuizen en het aantal amusementskunstenaars; misschien komt hij dan tot de conclusie, dat de landhuizenbezitters toch wel heel dun gezaaid zijn in deze wereld.
Ik heb deze artikelen niet geschreven om de lezer te vergasten op de sensatie van zijn eigen deugdzaamheid of meerderwaardigheid. Daartoe heb ik, royaal bekend, veel te weinig fiducie in de lezer. Ik heb ze ook niet geschreven om de amusementsartiesten aan te klagen van minderwaardigheid, in welk opzicht dan ook. Ze zijn alleen geschreven als een kleine studie over een klein onderdeel van onze gehele, door en door zieke en vervallen maatschappij. Als ze de aandacht getrokken hebben, verheug ik mij daarover, omdat er allicht iets goeds uit voort kan komen, niet veel, een heel klein beetje maar, genoeg echter voor één keer. Iets goeds voor de amusementskunstenaars, vooral voor de mindere goden onder hen, minder misschien voor de “vermaaks-arbeider” in zijn kwaliteit, dan voor de mens in hem. De laatste heb ik op het oog gehad, daar hij het slachtoffer is van de eerste.
Nu de artikelen als boekje de wereld ingaan, meende ik deze overigens vanzelf sprekende verklaringen er aan te moeten toevoegen in een voorwoord, dat dus eigenlijk een nawoord is.
FRANK VAN WAES.
EERSTE HOOFDSTUK
Het is een droevig maar onloochenbaar feit, dat zeer weinigen onder ons, slachtoffers van het wonderlijk verwrongen moderne leven, in staat zijn zich “aangenaam bezig te houden” als ze “niets te doen hebben”. Zodra de dwingende greep van de slavenarbeid in fabriek, werkplaats of kantoor loslaat, staan de meesten stuurloos, wankel op hun benen, verbaasd en verontrust voor het lang niet gemakkelijk op te lossen vraagstuk hoe de tijd tot de volgende periode van slavernij moet worden doorgebracht oftewel doodgeslagen. De arbeid zelf interesseert, helaas, maar zeer weinigen, omdat die arbeid zo geesteloos en eentonig is over ’t algemeen; de vreugde aan de arbeid is een zeldzaam voorrecht van weinige uitverkorenen, al de anderen werken maar, omdat ze er nu eenmaal hun brood mee moeten verdienen. Over het werk denken of praten, zich met enige vreugde voorbereiden op de nieuwe arbeid van de volgende dag is voor al dezen uitgesloten.
Daarbij zijn we een beetje heel erg armlastig geworden op geestelijk gebied en er zullen heel wat jaren van zorgvuldig georganiseerde volksopvoeding nodig zijn, eer we over ’t algemeen weer als mensen zullen kunnen leven, tijdens en na ons werk. Op het ogenblik is er maar een kleine elite (onder de beter gesitueerden zowel als onder de arbeiders), die hun vrije tijd weten te besteden zonder tot minderwaardig “amusement” te vervallen. Verwonderlijk weinigen kunnen lezen, een gesprek voeren, wandelen en van de natuur genieten; en nog minder vinden er behagen in hun vrije uren te besteden aan studie om hun horizon uit te breiden, hun kennis te verrijken. De meesten brengen het niet verder dan tot het af en toe verslinden van een Lord Lister of Buffalo Bill ; tot het geesteloos en contactloos samenzijn met andere lege zielen, bij welke gelegenheid zij elkaar plezier doen met het vertellen van schuine moppen en min of meer schunnige avonturen; tot het blind en doof rondlopen in de stad of zelfs buiten, zich vermakende met het trappen op bloemen, waarvan ze niet eens de naam, laat staan het leven kennen, met het afscheuren van takken en het uittrekken van heesters en struiken, die zich daartoe lenen.
Heel deze overgrote meerderheid, die zichzelf met geen mogelijkheid in zijn vrije uren kàn bezighouden, moet dus wel door anderen bezig gehouden worden. En daar elke behoefte in een redelijk geordende samenleving noodzakelijkerwijze vervuld dient te worden, zo heeft onze voorzienige maatschappij een ganse schaar mensen gekweekt, die er hun beroep van maken, de wereld-die-met-zich-zelf-geen-raad-weet, – te amuseren. Dat zijn dan: dichter-zangers, dansers, acrobaten, goochelaars, soubrettes, humoristen, karakter-komieken, mappentappers, conferenciers, jongleurs, parterreturners, krachtmensen, en hoe de verschillende arbeiders in dit bedrijf verder mogen heten. De ledenlijst van de “Nederlandse Artiestenbond” geeft er een verbijsterende verscheidenheid van.
Het spreekt vanzelf, dat deze amusementsbrengers ’s avonds moeten werken, daar de meeste mensen juist in de avonduren dringend behoefte hebben geamuseerd te worden. Het is de tijd dus, dat ook toneelkunstenaars en musici hun werk doen, en zo vermoedelijk is de tragikomische vergissing ontstaan, deze helpers in den nood der voze zielen artiesten, kunstenaars te noemen. Waarmee ze natuurlijk voor vijf-en-negentig procent niet meer gemeen hebben dan de werktijd en -plaats.
Het amuseren van andere mensen is alzo een bedrijf geworden; het amusementsbedrijf. En het kapitalisme, dat geen kans onbenut laat om een bedrijf, van welke aard ook, in zijn grijpvingers te krijgen, heeft zich natuurlijk meester gemaakt van dit amusementsbedrijf. Er zijn immers lokalen nodig, waarin men de amusementsbehoeftigen bijeendrijft tijdens hun noodlottige vrije uren. En de eigenaars van dergelijke lokalen, als daar zijn café-concert, bar, variététheater, cabaret artistique, bioscopen van tweeslachtige allure, café chantant, treden op als werkgevers voor de verschillende soorten arbeiders, die weten, waaraan de immer onlesbare amusementsdorst der menigte bij voortduring behoefte heeft.
Natuurlijk is ook in dit bedrijf de onvermijdelijke tussenpersoon aanwezig, die aan een der partijen, of aan beide, geld verdient zonder daarvoor eigenlijk iets anders te doen, dan er te zijn. Men noemt deze wezens impresario of theateragent of directeur van een concertbureau of zoiets. Zij genieten een aanzien en bekleden een machtspositie, die omgekeerd evenredig zijn aan hun nuttigheid en bewijzen daarmee hun onmisbaarheid in het raam van de kapitalistische organisatie van het bedrijf. Hun arbeidsprestatie en hun risico zijn ongeveer gelijk aan nul; het zal dus niemand verbazen te vernemen, dat zij in dit bedrijf vermoedelijk het meeste geld verdienen.
Deze wereld van het amusementsbedrijf, van variété en cabaret is inderdaad een wereldje apart. Een zeer achterlijk wereldje nog ten dele, waar al de uitwassen van het kapitalistisch stelsel welig tieren. Een vakbond ,die behoorlijk zijn plicht kent in het kader van de logische strijd tussen kapitaal en arbeid is nog maar sinds korte tijd begonnen. En veel ernstig werk kan deze bond nog niet doen om de zeer eigenaardige toestanden en verhoudingen in deze wonderlijke wereld, waar mensen van allerlei slag, ontwikkeling, beschaving, ras en landaard dooreenkrioelen, in wilde jacht op de dagelijkse boterham.
Af en toe hoor je er eens iets van. Je ziet er iets van of meent althans iets te zien in cabaret of variété, je leest in het Artiestenblad, het orgaan van de Bond, b.v., dat er strijd gevoerd moet worden tegen het gedwongen “rondgaan” van de “artiesten” onder het publiek, tegen het gedwongen bedelen dus, waardoor het minieme of zelfs afwezige loon moet worden opgevoerd tot een bedrag, waarvan de “artiest” ten minste leven kan.
En dit aparte wereldje, hoezeer het ook lijkt open te liggen voor ieders oog, is niettemin vrijwel afgesloten voor de buitenstaander. Hoe eigenlijk dit bedrijf reilt en zeilt, hoe de belanghebbenden elkaar ontmoeten op de markt van vraag en aanbod, hoe heel dit ordeloos dooreenkrioelen beheerst wordt en samenwerkt”, wie weet er eigenlijk buiten de kring van ingewijden iets van? En toch ligt hier een terrein van strijd en economische vraagstukken, die alle belangstelling verdienen.
Zo van buiten af gezien, lijkt het een nogal vrolijk wereldje van louter zang en dans en plezier. In werkelijkheid wordt misschien nergens zo verbitterd gevochten om een plaatsje onder de zon, wordt er nergens zo scherp geconcurreerd, zo schaamteloos uitgebuit en misbruik gemaakt van economische zwakheid als juist in deze wereld van het amusement. Voor de nood van onze lege uren, waarin wij schreeuwen naar vermaak, gaan meer lichamen en zielen te gronde, dan men zo oppervlakkig voor mogelijk zou houden.
Al lang had ik daar iets meer van willen weten, maar van verschillende zijden had men mij op een teleurstelling voorbereid: “Als journalist kom je daar niet zo voetstoots binnen.” Moeilijkheden zijn er echter om overwonnen te worden, zegt de wijze scheurkalender en met een heel eenvoudig foefje was het waagstuk opgelost en had ik vrije toegang tot de keuken van dit vreemdsoortige bedrijf.



