nieuws  voorpagina archief Youtube Spotify Instagram Facebook Mastodon Bluesky
Nieuws

Het Nederlandsche cabaret door Edmond Visser (2)

In 1920 schreef de journalist Edmond Visser (1882-1941) in de serie artistieke handboeken ‘Nederlandsche Kunst’ een deel getiteld ‘Het Nederlandsche Cabaret’. Daarmee werd hij de eerste geschiedschrijver van het Nederlandse cabaret.

Het boek bevat beschouwingen van de buitenlandse invloeden. Daarnaast interviewde Visser de cabaretspelers uit die periode, zoals Jean-Louis Pisuisse, J.H. Speenhoff en vele anderen.

Elke dag plaatsen we een hoofdstuk. Vandaag vervolgen we het hoofdstuk over het Parijsche cabaret, over Aristide Bruant, Xavier Privas, Théodore Botrel en Yvette Guilbert.

HET PARIJSCHE CABARET (vervolg)

ARISTIDE BRUANT

Hij was een eenvoudig werkman en had ’n zeer persoonlijke manier van zeggen. Montorgueil beschrijft zijne figuur aldus : „C’était un gars trapu, tanguant du torse, qui affectait un parler oü l’accent du terroir le disputait a la canaillerie du faubourg.” Hij had lange haren en eenigszins het uiterlijk van een monnik. Steeds droeg hij hooge kaplaarzen, een fluweelen broek, een klein wambuis en een grooten deukhoed. Voorts ’n roode cache-nez, een knuppel in de hand. Jouy had hem ontmoet en hem meegenomen naar de chat noir. Zijn voordracht was zeer gekruid en had onverwachte wendingen. Als het zoo viel, ging hij boven op ’n tafel staan. Zijn genre ontleende hij’ aan een lied, getiteld „A Montmartre” van Richepin, Tansi en Maurice Bouchor. Dit lied speelt zich af in den tijd van de commune : Een mooi meisje was toen ’n heldin „a Montmartre.” ’t Was ’n tijdperk van bloed en moord „a Montmeurtre.” Zóó dichtte Bruant

Tout’ jeune on la mit a l’Ecole
A Batignolle
On l’appelait Toto Laripette
A la Villette.

Op die wijze schildert Bruant zijne helden, die hij uit de dievenwereld en uit die der prostituées recruteert. Hij beschrijft ze in al hunne nuances : In hunne laagheid, in hunne hebzucht, maar ook in hunne cameraderie. Hij neemt geen blaadje voor zijn’ mond, maar zijne „chansons rosses zijn ontsproten aan een edel hart. Onder het zingen drinkt hij half gevulde glazen bier. Zijne specialiteit was grotheden naar het hoofd van zijne cliënten te werpen, die hij dwong de refreinen mee te zingen. Grof was hij tegen ieder, wie en wat hij ook zij. En kijk, dat vonden de menschen aardig. – In ’n Hollandsch cabaret moest je dat met wagen. – Maar in Frankrijk is men minder „deftig” en zóó aanvaardde men het dat hij de luidjes van divèrse pluimage tutoyeerde.

Hij lanceerde b.v. deze elegante woorden : „Què que tu prends ? Elle est gironde, ta gonzesse. Maïs quoi qu’elle a á faire sa gueule?”

Het „fatsoen” verbiedt mij u deze woorden te vertalen, want ’t is gepeperd. Men lachte, ’t Was immers Bruant. En die mócht. En banaal is ’t stellig niet. En, niet waar, als je den heelen dag wordt gevleid, dan is t wel eens aardig te worden uitgescholden. Bruant is er rijk aan geworden, aan zijne grofheid niet alleen natuurlijk, voornamelijk aan zijne liedjes. Wij zullen eenige crteeren. Eerst eenige regels uit zijn bekend gedicht „Su l’ pave. Dit eindigt aldus :

Je n’sais pas c’qu’y aurait a faire,
Mais vrai, c’qu’on en voit d’ la misère
Su’ l’pavé!
Et j’prétends qu’ dans l’siècle oü nous sommes
On n’devrait pas voir autant d’hommes
Su’ l’pavé.

Bruant houdt van de menschen uit ’t volk en van de beesten : Over ’n hond schrijft hij deze aandoenlijke strophen :

Malgré qu’ca soy’ que des bêtes
I’s ont d’la bonté plein les yeux.

Als hij kamerlid zou zijn :

Je parierais des petits sieux,
Des filles-mères des pauvreg vieux
Qui, l’hiver, gèlent par la ville…
lis auraient chaud, corame en été,
Si j’étais nommé deputé
A Belleville.

Er volgen nog veel coupletten met ’t zelfde entrain, met de zelfde „cri de coeur.”

Wij hebben reeds gemeld dat Steinlen zijn bekenden bundel „Surr la rue” („Dans la rue”, zk) heeft geïllustreerd. Later verscheen nog een bundel „Sur la route.”

In 1870 heeft Bruant deelgenomen aan den oorlog. Hierover deze vier regels :

Vla l’oent-treizièm’ qui passé !
Bon-Dieu ! quel régiment!
Faut qu’ca pèse ou qu’ca casse
Quand il marohe en avant.
Maar de soldaterij heeft hare schaduwzij. Wij citeeren uit A Biribi (Afrikaansch strafgarnizoen):
A Biribi, c’est la qu’on crève,
De soif et d’faim ;
C’est la qu’i’faut marner sans trève,
Jusqu’a la fin ;
Le soir, on pense a la familie,
Sous le gourbi :
On pleure encore quand on roupille
A Biribi!

Eén van zijn gevoelige liedjes :

BUCOLIQUE

II a partagé tout son bien
Entre ses garcons et ses filles.
Maintenant il vit comme un chien
Supporté dans un jeu de quilles.
II est tellement ennuyeux
Qu’on le foudrait bien a la porte
Avant que le bon Dieu l’emporte,
Le vieux.

Quand dono pourra-t-on l’enterrer
Ce vieux têtu qui mange encore
Et qui ne peut plus labourer
Et qui s’empiffre et qui dévore ? …
Pourtant il mange avec les boeufs,
Car pour ne plus le voir a table
On l’a remisé dans l’étable
Le vieux.

Le jour, oublié dans un coin,
II contemple les champs, la plaine.. ..
Et le bois qui s’enfuit au loin… .
Et tout ce qui fut son domaine.
La nuit, quand il ferme les yeux,
II voit tous ses enfants, en rêve,
Prier le bon Dieu pour qu’il crève:
„O père, qui êtes aux cieux
„Et qui gouvernez sur la terre,
„Quand vous plaira-t-il qu’on enterre
Le vieux?”

Voelt ge u het hart niet breken ? En is dit niet de meest navrante illustratie van het spreekwoord : ,,Eer brengt ’n arme vader met vreugd tien kinderen groot dan dat tien rijke kinderen hem steunen in den nood.”

Gaarne zouden we nog citeeren zijn mooi lied „Serrez les rangs”, dat Pisuisse hier met zoo veel bezieling voordraagt en nog zoo veel anders, maar wij moeten voortgaan. Nog zij opgemerkt dat onze, thans overleden zanger Edouard Jacobs sterk onder Bruant’s invloed heeft gestaan, hetgeen wij hieronder nog wel eens aantoonen zullen, als wij de Hollandsche cabarettiers behandelen.

XAVIER PRIVAS

,,Le prince des Montmartrois.” Ik heb eenige persoonlijke herinneringen aan hem. Hij trad met zijne vrouw en met Léon de Bercy, die kleine, fijne man, met grijs sikje en grijze snor, die politieke liedjes zong te Scheveningen op en we zijn toen veel samen geweest. Zij waren de gasten van Ellen Forest, de toenmalige Lucy d’Audretsch, met wie ik ook bevriend was en nog ben. Daar hebben wij gesoupeerd en gelachen en gedronken en ernstige gesprekken gehouden óók. Ik zie hem nog vóór mij, Xavier Privas, al is ’t vele jaren geleden nu. Hij was dik en breed, had een zwarte sik en zwarte snor en een lintje in het knoopsgat. Hoe hij bier drinken kon ! In één groote slok de beker leeg. Hij leek een ridder uit den ouden tijd. Ik moest voortdurend denken aan Cyrano de Bergerac. Zijne zware stem was ontroerend. Als hij ,,le Travail” ook wel voor ons zong, of „les heures sont roses”, dan bracht ons dat de tranen in de oogen. Alles aan hem was goedheid. Bijna naïef was hij. Wij hadden hem in vereering een krans gezonden. Dat was toch niet zoo bizonder. Hij zal zoo veel kransen gekregen hebben in zijn leven. Maar hij was er toch zijne Hollandsche vrienden zóó dankbaar voor. Hij omhelsde ons allen, „monsieur Prince”, zooals het dochtertje van Lucy hem noemde. Hij zou ons Parijs eens laten zien, als wij er kwamen. Ik heb meer spijt dan haren op mijn hoofd dat ik er nooit gebruik van heb gemaakt. In een boekje van hem heeft hij ’n opdracht aan mij geschreven. Het boekje is mij dierbaar gebleven, ook om zijn inhoud. Zijne verzen doen mij veel denken aan die van Verlaine.

Aanvankelijk was hij cavalerie-officier. Hij houdt van het lied en van „das ewig Weibliche.” Hij haat de domheid en de middelmatigheid.

In 1892 trad Xavier Privas op als chansonnier de Montmartre.” Hij zong toen o. a. Les Thuriféraires, Les Chimères, Les Résignés. Eerst betrad hij de planken van de chat noir, maar had daar niet dat succes, dat hem toekwam. Hij ging toen over naar het Cabaret de l’Ane Rouge, waarvan de broer van Rodolphe Salis, die met dezen gebrouilleerd was, eigenaar was. Daar werd Privas door de kunstenaars, die daar veel kwamen met warmte ontvangen. Later treedt hij op in de Qat’-z-Arts, vervolgens wordt hij een der directeuren van het Cabaret des Arts. Het eerste deel van Privas’ werk is getiteld : Chansons chimériques. Verder noemen wij Chansons humaines. Wij zullen citeeren zijn lied:

LE TRAVAIL

Si tu veux être libre et fort,
Travaille !

Si tu veux gagner sans effort,
Le Repos final de la mort,
Travaille !

Si tu veux être respecté,
Travaille!

Si tu veux garder ta fierté,
Ta belle humeur et ta santé,
Travaille!

Si tu veux soutenir tes droits,
Travaille !

Si tu veux que ta grande voix
Ait plus de force qu’autre fois
Travaille !

Si tu veux forcer ton destin
Travaille !

Si tu veux que sur ton déclin
Ton père te tende la main
Travaille !

Welk „entrain” zit er in dit lied, niet waar ? Ik kan de verzoeking niet weerstaan u dit aandoenlijke lied nog te copieeren :

LA CHANSON DES HEURES

A qui sait aimer
Les Heures sont roses
Car c’est le Bonheur
Qu’elles font germer,
Dans L’Eden sécret
Des Amours écloses
Les Heures sont roses
A qui sait aimer.

A qui sait souffrir
Les Heures sont noires,
Car c’est la Douleur
Qu’elles font mürir,
Dans l’ame blessée
Du choc des déboires
Les Heures sont noires.
A qui sait souffrir.

A qui sait rêver
Les Heures sont grises
Car c’est le Souci
Qu’elles font lever,
Dans l’ame troublée
Par d’ambres crises
Les Heures sont grises
A qui sait rêver.

A qui sait mourir
Les Heures sont blanches,
Car c’est le Repos
Qu’elles font fleurir
Aux cceurs détachés
Des vitales branches.
Les Heures sont blanches
A qui sait mourir.

En hiermee neem ik afscheid van dezen grooten zanger, dichter, componist.

THÉODORE BOTREL

Wij zullen een kort woord nog zeggen over dezen „Bretonschen bard.” Zijne schoolontwikkeling was slechts zeer elementair. Toch bracht hij het tot spoorwegbeambte. In 1895 debuteerde hij in de Chien-noir. Toen hij inzag dat mj van zijne pen zou kunnen leven, nam hij ontslag. Hii houdt veel van zijn geboortegrond. Zeer bekend zijn van hem La Paimpolaise; Dors, mon gas; La Vilaine: La Jalouse. De Academie francaise heeft zijn bundel , Les Chansons de chez nous” bekroond. Wij zullen La Paimpolaise citeeren :

Quittant ses genéts et ses landes,
Quand le Breton se fait marin,
En allant aux pêches d’Islande,
Voici quel est le doux réfrain,
Que le pauvre gars
Fredonne tout bas:
J’aime Paimpol et sa falaise, ,
Son vieux olocher, son grand „pardon”
J’aime surtout la Paimpolaise
Qui m’attend au pays breton.

Quand leurs bateaux quittent nos rives
Le curé dit: mes bons fieux,
„Priez souvent Monsieur Saint-Yves,
„Qui nous voit des cieux toujours bleus.”
Et le pauvre gars
Fredonne tout-bas :
Le ciel est moins bleu, n’en déplaise
A Saint-Yvon, notre Patron,
Que les yeux de ma Paimpolaise
Qui m’attend au pays breton.

Guidé par la petite Etoile
Le vieux patron d’un air trés fin,
Dit souvent que sa blanche voile
Semble a l’aile d’un séraphin.

Et le pauvre gars
Fredonne tout-bas:
Ta voilure, mon vieux Jean-Blaise,
Est moins blanche au mat d’artimon
Que la coiffe a la Paimpolaise,
Qui. m’attend au pays breton.

Mais souvent l’Océan qu’il dompte
Se réveille, lache et crue!,
Et quand le soir, on se compte,
Beauooup de noms manquent a l’appel,
Et le pauvre gars
Fredonne tout-bas:
Pour combattre la flotte anglaise,
II faut plus d’un moussaillon.
J’en ferons deux a la Paimpolaise,
Qui m’attend au pays breton.
Puis, quand la Vague le désigne
L’appellant de sa grosse Voix,
Le brave Islandais se résigne
En faisant le signe du Croix
Et le pauvre gars,
Quand vient le trépas:
Serrant la médaille qu’il baise,
Glisse dans l’Océan sans fond,
En songeant a sa Paimpolaise
Qui l’attend au pays breton.

YVETTE GUILBERT

Wij kunnen niet nalaten, als wij over het Fransche cabaret spreken Yvette Guilbert, de beroemde cabaret-diva te vermelden. Vóór eenige jaren hebben wij haar in Amsterdam gehoord en zij zag er uit als een jong meisje. Bij die gelegenheid ben ik bekeerd geworden van mijn denkbeeld dat eene vrouw geen …. genie kan zijn. Later ben ik van die bekeering weêr bekeerd, want wat ik voor genie aanzag was ,,flair” ; misschien ,,manier”, maar toch we zagen Yvette o.a. een scala vrouwenfiguren uitbeelden : Het jonge meisje, de jonge vrouw, de oude vrouw ; . . .. de Vrouw, het liefste canaille, dat denkbaar is. Is de Vrouw niet…. het canaille, de verleidster voor…. ons”? Yvette zag er uit als een jong meisje en toch heb ik in hare levensbeschrijving gevonden dat zij – ’t is ongelooflijk – geboren is in 1869 te Parijs. Natuurlijk te Parijs. Ware zij elders geboren en na één maand naar Parijs gegaan, dan zou zij dat zekere iets, dat ondefinieerbare, niet naar buiten kunnen brengen. Ze was winkeljuffrouw. Zóó begon ze haar loopbaan. Misschien moest ze toen al comediespelen, zooals alle winkeljuffrouwen. Hoe ’t zij spoedig trad ze op als figurante. In 1889 kwam zij aan ’t théatre des Variétés. Daarn aan de divan japonnais, een kroeg voor dronken zeelui, die zij wist te overstemmen en te imponeeren. Zij treft meer door de originaliteit van haar dictie dan door hare stem. Zij was – wat men zoo noemt „chanteuse de genre” en zij trad veel op in café chantants. Zij creëerde het genre „chanson fin de siècle”, maakte Xanrof, den jongen advocaat-chansonnier, wiens liedjes zij zong populair (men denke aan le Fiacre en aan les Quat’ z Etudiants) en Lemercier. Bijtend, iets of wat droog is hare dictie, maar wat ons treft is de modulatie in hare intonaties. Soms moduleert zij één lettergreep ettelijke malen. Hare gestes zijn bijna hoekig, maar dat is geen linksheid, het is opzet om een effect te bereiken. Zij maakte „school.” In vele variétés werden er „des chansons Yvette” gezongen. Zóó maakt hier b.v. Speenhoff school, ’n Zekere Dumont zingt liedjes in zijn genre, al zijn ze ’n beetje anders en al hebben ze ’n specifiek socialistische strekking.

Maizeroy beschrijft Yvette’s uiterlijk aldus : „Un maigre corps svelte et souple, invariablement moulé en desfourreaux de soie ; le masqué pale, étrange, oü luisent les yeux moqueurs de gavroche ; un cou qui n’en finit plus ; une poignée de cheveux blonds qui pointe en toupet de clownesse.”

En hierbij laten wij het. Gaarne zouden wij nog even Georges Fragerolle, den musicus behandelen, die o. a. muziek componeerde op het dichterlijke Chat Botte van André Gill ; verder Maria Krysinska met hare mooie oogen, die fijne literaire producten op Montmartre bracht, Armand Masson die korte rijmpjes maakte ; Delmet door de vrouwtjes aanbeden ; Hyspa, die een grappenmaker was, Rictus en zoo vele andere meer, maar daar het Nederlandsche cabaret ons eigenlijke onderwerp is, zien wij daarvan af. Maar we moeten nog even iets zeggen over de „forains de la butte” en over Le Ciel et l’Enfer, na geconstateerd te hebben dat de „moulin rouge”, waar o. a. de cortège de Vénus gegeven werd en de Folies Bergères eigenlijk een markt is voor de cocottes, zonder veel charme en eene speculatie op de vreemdelingen, naar ik uit betrouwbare bron heb vernomen. Alleen toonen de vrouwtjes dat zij met ongeveer niets nog heel mooi gekleed kunnen zijn.

De voornaamste “forain de la butte” was Maxime Lisbonne, ex-colonel van de Commune. Zijn „grap” was dat hij in uniform optrad. Eigenlijk was hij een kabotijn, die zijn rol serieus opvatte. Helaas was hij invalide. Later – men ziet dat hij even excentriek was als Hannibal, die de staart van zijn hond afsneed, opdat er maar over hem gesproken zou worden – liet hij zijn haar groeien, zette een hoogen hoed met omgeslagen randen op en droeg hij een wapperende das van zwarte zij. Hij kwam op volksvergaderingen, stelde rare moties voor, kortom, hij parodieerde zich zelf, om zoo te zeggen. In de rue des Martyrs richtte hij la Taverne du bagne op. Hij gaat nu aardappelen verkoopen. Begunstigers stelden hem daarna in staat de Divan Japonnais, de zeemanskroeg, waarvan ik hierboven al gesproken heb, te exploiteeren. Daar treedt hij als compère op in de revues van zijne hand. Zeer stichtelijk waren die niet. Zóó was ’n „attractie” ’n vrouw, ’n zekere Cavelli, die niets deed dan zich aan- en uitkleeden : „La Coucher d’Yvette.” Habrekorn, schrijver van „chansons sexuelles” volgde Lisbonne op, die nu de Casino des Conciërges opende. Gasta bezong daar de galante avonturen van dien tijd. Opnieuw verzon Lisbonne iets excentrieks. Hij ging nu rondrijden in een rood geschilderd rijtuig en in eene vóórhistorische diligence.

Een andere meneer van dat soort was Leclerc, die Aristide Bruant ging na-apen in zijne kleeding. Jammer genoeg had hij diens talent niet. Hij exploiteerde de Casino des Conciërges, die hij omdoopte in „Cabaret Bruyant.”

Bruant werd boos, ging tegen hem procedeeren, maar verloor dat proces. De eischen, die meneer Leclerc stelde waren niet zeer hoog : Voor ’n bock van 13 sous zong hij een liedje. Dan treedt er ’n meisje van 16 jaar op, annonceert een lied van Gasta : „Je sens que je deviens vache.” Dit cabaret schijnt in het teeken van de dierenriem te staan, want den bezoekers wordt bovendien toegeroepen: „Tous les clients sont des cochons, la faridondon, la faridondaine ; surtout les ceusses qui s’en vont, la faridondaine, la faridondon.” Na een lied zei Leclerc „un ban :” Une, deux, trois. Dan werd er drie keer in de handen geklapt.

Dan is er ’n cabaret de la Mort : le Néant. Daar treedt o. a. l’Esprit de Montmartre” op. Dat is… ’n buikspreker. Sténégry vertoont daar ’n spiegel. Wie daar in kijkt ziet …. z’n vleesch van ’t lichaam vallen. Van een doodshoofd maakt hij ’n bloemenvaas. Ten slotte dood gewone „trucs.” ’t Doodsgedoe was zeer en vogue. Zoo waren de zetels lijkkisten. „Soyez les bienvenus a la mort, asseyez vous a droite et a gauche ; choisissez votre cercueil” werd den bezoekers toegeroepen. Of : „Une belle mère ! Préparez la boité de sapin.” Tot ’n jonge vrouw : „N’est ce pas malheureux de crever a ton age!” etc. Een aangestoken vetkaars wordt in de doodskist gestoken: „Voila qui te guidera sur les bords du Styx. Donne tes quinze sous.” Het parool is : „La mort te guette, la mort te veut, la mort t’aura.” Nu komt men met kaarsen in de hand in „le four crématoire” door onderaardsche gangen. Iemand uit het publiek gaat op een draagbaar zitten. Een lijkkleed wordt over hem uitgespreid. Het orgel speelt. Dan ziet men den dood zich meester maken van die persoon. De levende wordt een skelet.

Le Cabaret du Ciel. Aan de voordeur een engel. Dan komt men in ’n groote zaal. Daarin staat ’n tafel met dranken er op. De dienaars zijn seraphijnen met witte tunicas, de krans van de onschuld op hunne blonde haren. „Ma soeur, patientez un instant: vous irez au bonheur quand tous nos frères seront arrivés.” De Heilige Maaltijd heeft plaats. Een kerkdienaar wijdt daaraan zijne zorgen. Hij is van de orde der Montmartrois (Dus niet bepaald een kloosterbroeder). En toch houdt een kloosterbroeder de preek. Maar hij is le premier role du ThéatreMontmartre (Misschien is hij daar wel le „jeune premier” oftewel „jeune amoureux”). Dan wordt er eene cantate gezongen op den god Poreus, wiens heidensche beeltenis wordt rondgedragen. Deze cantate is in gescandeerd proza. Dan de benedictie, ’t Wordt nacht. Op de verlichte muren ziet men naakte, of bijna naakte vrouwen verschijnen (le nu aesthétique). De eigenlijke „Ciel” is op de bovenverdieping. Gaat men naar beneden, dan komt men in ’n soort grot, de verblijfplaats der gelukzaligen. Men ziet daar tableaux vivants en fantasmagorieën. Vele engelen. Een toeschouwer wordt in zoo’n hemeling veranderd : Hij heeft vleugels, stijgt op naar de hemelen van Mohamed, welks hemelen bevolkt zijn met 1100 maagden.

Naast le Cieil „l’Enfer.” Hoe kan ’t anders? Door ’n geopende drakenbek gaat men naar binnen in de verblijfplaats der verdoemden. Men ziet slangen, die vlammen spuwen. Op tafels, die in vuur schijnen te staan schenken de duivelen drank. Wat zien de menschen als de reden tot hunne verdoemenis ? Goud en vrouwen. Vóór mij liggen eenige Ansichtskaarten met afbeeldingen uit „l’Enfer”, een souvenir, dat men meekrijgt naar huis. We zien Mephisto met dreigend vooruitgestoken hand. En dan allerliefste vrouwen, die verbijsterd kijken (wederom „le nu aesthétique”), dan eenige mannetjes en wijfjes, die ketelmuziek maken. Vuurspuwende draken daar om heen. Kortom zooals in ’t boekje staat: L’Enfer, cabaret unique au monde. Tous les soirs de 8 h. J a 2 h. du matin Attractions Diaboliques, Supplice des Damnés, Ronde des Damnés, La Chaudière, Les Métamorphoses des Damnés etc. etc. Le Spectacle, le Bock et le souvenir i fr. 25. Sirops et Liqueurs 0.50 de supplément.

En hiermede eindig ik mijne „conférence” – vat het asjeblieft niet te zwaarwichtig op, vooral niet als eene wetenschappelijke verhandeling – over het Parijsche cabaret en ik hoop u zoo’n beetje ’n indruk daarvan te hebben gegeven. En nu gaan wij over tot het Duitsche „Ueberbrettl”.


Het Franse cabaret kreeg in Duitsland ook navolging onder de naam Überbrettl. Daarover meer in het volgende hoofdstuk.

Categorie: Zoals de ouden zongen | Meer over: , , , ,
Richard van Bilsen. Maker Zwartekat.nl.