nieuws  voorpagina archief Youtube Spotify Instagram Facebook Mastodon Bluesky
Nieuws

Het Nederlandsche cabaret door Edmond Visser (3)

In 1920 schreef de journalist Edmond Visser (1882-1941) in de serie artistieke handboeken ‘Nederlandsche Kunst’ een deel getiteld ‘Het Nederlandsche Cabaret’. Daarmee werd hij de eerste geschiedschrijver van het Nederlandse cabaret.

Het boek bevat beschouwingen van de buitenlandse invloeden. Daarnaast interviewde Visser de cabaretspelers uit die periode, zoals Jean-Louis Pisuisse, J.H. Speenhoff en vele anderen.

Elke dag plaatsen we een hoofdstuk. Ditmaal schrijft Visser over die andere grote buitenlandse invloed op het Nederlands cabaret: Het Duitse Überbrettl.

HET UEBERBRETTL

Met een zweem van de slang
in haar houding en gang,
met een vieren en bieden en geven
van ’t gesmijdige lijf
stond daar ’t heerlijk jong wijf
als een hymne aan al ’t schoon
van het leven.

Deze versregelen van Pol de Mont, doemden bij mij op, toen ik in het Centraaltheater Ada Sorel, aangekondigd als „Deutschland’s erste Kabaretkünstlerin” zag en hoorde. Dat was ras, temperament, plastiek. Zij zong hare liederen van hartstocht en van wellust, hare liederen, die wel eens zoo zoo hm hm waren, zóó brillant, met zulke prachtige armbewegingen, met zóó’n volle…. Hingabe dat ik besloot eens met haar te gaan praten, omdat zij – al kon ik niet beoordeelen of zij de eerste cabaretkunstenares van Duitschland is – toch tot de eersten zal moeten worden gerekend.

Dan had ik nog eene nevenbedoeling en wel deze: Tallooze pogingen heb ik gedaan om iets te weten te komen over de geschiedenis van het Duitsche Ueberbrettl en al mijne pogingen faalden, om de doodeenvoudige reden dat…. ’t Ueberbrettl geen geschiedenis heeft. Wij weten dat von Wollzogen het van de Franschen heeft afgekeken, in München in 1901 een Ueberbrettl heeft gemaakt -’t woord „Ueberbrettl” is wel aardig – later in Berlijn en dat het Ueberbrettl nooit gereusseerd is zóó als het cabaret in Frankrijk en nu eigenlijk dood is. Wij dachten nu zóó : Als Ada Sorel van haar levensgang vertelt, dan hooren we van zelf iets van wat we niet uit de boeken te weten kunnen komen, want, voor zoover ik weet, bestaat er slechts één boek over het Ueberbrettl getiteld : „Das Cabaret” van Hanns Heinz Ewers, maar dat is uitverkocht. Ik schreef den schrijver naar Düsseldorf, waar hij woont of gewoond heeft, maar kreeg geen antwoord.

Nu wil ik eerst wat uit mijne herinneringen putten. Er was hier te Amsterdam jaren geleden een goed Duitsch Ueberbrettl. Vele avonden ben ik er geweest en vele avonden heb ik er genoten. Conférencier was baron Oscar von Fielitz. Hij was gedistingeerd gekleed en toch armelijk. Dat kun je zoo hebben. De snit van z’n smoking was keurig, maar hij was kaal. Hij hield ’n aardig praatje, heette ’t publiek welkom, wenschte vóór alles „Stimmung, Stimmung” enfin, ’n inprovisatie, die je al dadelijk in ’n goed humeur bracht. Deze inprovisatie was uit ’t hoofd geleerd, tusschen twee haakjes. Ook hield hij aardige voordrachten, o. a. gaf hij eene aardrijkskundeles en deed of de menschen uit ’t publiek zijne leerlingen waren, die hij dan tot de orde riep.

Dan had je Alfred Müller, die aardige dingen van Rideamus, den bekenden Duitschen humorist zei, o. a. uit „Willi’s Werdegang” en „Mademoiselle Aschenbrödel.” Het aardige was dat hij alles even droog, even onbewogen deed, alsof hij een lesje opzei. Hij stond met knikkende knieën, met de handen slap langs ’t lijf als ’n geknakte lelie. Dan kwam Dina Dietrich, zijne vrouw, met het onschuld-snuitje en die zong in Biedermeiercostuum Biedermeierliedjes. Ik herinner mij „Schlafe mein Prinzchen, schlaf ein.”

Staller, die zich zelf bij de piano begeleidde zong ondeugende liedjes, die heel geestig waren en Thea Degen was eene vrouw, die door haar temperament triumfen vierde, ’t Was bijna altijd leeg in de zaal. Ook dit herinner ik mij nog.

In Berlijn heb ik alle cabarets afgeloopen, maar – of ik het slecht getroffen heb of dat het altijd zóó was – veel zaaks heb ik er niet gezien, ’t Ging niet boven de variétékunst uit. ’t Was gezellig, je dronk er goeden wijn, maar wat de kunst betreft. . . zooals gezegd. Ik hoorde ’n juffrouw, die ik jaren geleden ook in Scheveningen had gehoord met precies dezelfde liedjes, ’n juffrouw, die meer bas dan alt was, ’n meneer, die a l’improviste gedichtjes maakte op rijmwoorden, die men hem opgaf en, ja, ’n enkel aardig liedje hoorden wij ook. De „boerencabarets” waren wel echte kroegjes, waar je naar binnen gesmeten werd en waar de „boeren” tegen de dames „süsse Maus” zeiden en ze vroegen je om ’n biertje en stootten met je aan en zeiden wat brutale dingen. Kunst – ho maar.

In Frankfort een gedistingeerd wijncabaret gezien. Geen verdere indruk. En dus …. dacht ik, Ada Sorel weet meer. En dat bleek ook. En nu kom ik met wat gegevens, met wat namen zoo maar zoo’n beetje door elkaar, want ons gesprek was weinig systematisch.


Ada Sorel

’t Is prettig met ’n mooie vrouw te praten, want dat is Ada Sorel en ’t is prettig met ’n gezellige vrouw te praten, want dat is Ada Sorel ook. ’t Is prettig met ’n ontwikkelde vrouw te praten, want dat is Ada Sorel eveneens. Zij vertelde ook van wat ze al zoo gezien had, ook op ’t gebied van tooneel en van wat ze al zoo gelezen had en ’t was alles levendig en onderhoudend.
En ze vertelde van haar loopbaan. Zeven jaar geleden was ze voor ’t eerst opgetreden in de „Fledermaus”, een bekend cabaret in Weenen. Eén der mooiste en intiemste cabarets, vertelde zij. Daar debuteerde zij met „der König der Zwerge”, muziek van Leo Ascher, woorden van Beda. Die Beda bleek eene grootheid te zijn op ’t gebied van liedjes. Dan zong zij „Der Page Bohemund”, muziek van Oskar Steiner, woorden van Beda. Zij zat eens aan tafel met Beda en toen schreef hij, op haar geïnspireerd „Das Katzenlied.” Ik weet niet of dat ’n compliment is voor ’n dame of ’t moest ’n poesenlied zijn, maar ik vermoed dat dat meer op haar „gesmijdige lijf” dan op haar karakter zal zijn geïnspireerd. In de „Fledermaus” zongen ook bekende kunstenaars en kunstenaressen en zij noemde Claire Feldern, Theo Körner, Thea Degen (die ik ook gehoord heb. Zie boven) en de zeer beroemde Nelson. Eigenlijk weet ik niet of die allen in de „Fledermaus” zongen of dat zij die maar alleen als cabaretsterren noemde. In elk geval trad daar wel Willi Ferna op en dat schijnt eene groote grootheid te zijn, want toen ik dien naam opschreef, heeft zij dien onderstreept.

Nu vond ik het oogenblik gekomen om haar eens iets over zich zelf te laten vertellen en dat deed zij bereidwillig. ,,Ik geef me zóó in m’n liedjes,” zei ze „dat ik gewoonweg óp ben als ik af ga. ’t Is me moeilijk ’n „toetje” te geven, maar als de menschen aanhouden dan doe je ’t tóch. Dat neemt niet weg dat ik eens ’n avond van acht tot tien uur gezongen heb en wel in den oorlogstijd ten bate van oorlogsweduwen in Dortmund. Ik was in langen tijd niet opgetreden, maar wilt u wel gelooven je moet zingen. Na dien avond was ik als het ware „aufgelöst”, maar de menschen bleven zitten. Ze wilden al meer, al meer. Ik begon met „stimmliche Lieder”, toen licht, toen dramatisch, toen pikant. Ik kreeg prachtige recensies. Eén recensent schreef ’t volgende en dat is wel typisch : „Echte Kabaretluft wehte zu uns herüber.” Later heb ik meegezongen in eene revue, maar dat was geen gewone revue, maar eene revue in cabaretgenre. De naam is ,,U. a. w. g.” De muziek was van Victor Hollander en ’t was in het Edentheater in Berlijn. Ik durf te zeggen dat ik de menschen in mijn tooverkring breng door mijne liedjes en – als ik me zelf eens prijzen mag – jalousie ken ik niet.”

Ik vroeg haar naar dat heele pikante liedje van haar „Was wir Madchen traumen” dat wij van haar hadden gehoord, ’t Is ’n liedje van wat blonde meisjes, bruine meisjes, roode meisjes droomen. Meer vertel ik er niet van. Zij vertelde dat de woorden waren van Eddy Beuth, dezelfde die dat prachtige „Czardaslied” gemaakt heeft, van die gravin die met een ouden graaf was getrouwd en door een Zigeunerlied gelokt, met den speler méétrok, totdat deze haar liet zitten. Dan in ’n nachtkroeg hoort zij opnieuw zijn lied na jaren, ’n Pracht-lied dat ook Pisuisse met zoo veel succes zingt.

Met Pisuisse is zij ook eens opgetreden in Scheveningen. Dan heeft zij een maand eene tournée gemaakt door Bohemen. In Berlijn trad zij op in „de chat noir”, waarvan Nelson de manager was. In München bij Benz, ’n bekend cabaret, waar ook Mary Irber optrad. In Keulen in „de Metropol.” In Hamburg in „die Hölle.” Op hare tournées trad zij veel met bekende menschen op, o. a. met Elli Glaizner en met den zeer beroemden Jean Moreau, voor wien de „Czardas” was geschreven en die zoo heel veel succes had in dat liedje, getiteld : „Die drei Wanderer.” Dan noemde zij als eene groote cabarettière Gussi Holl, Trude Hesterberg, die dat bekende liedje van „die Marquise von Lavallière”, dat Pisuisse bij ons, zingt, creëerde. Voorts Pia von Moosburg, Mela Mars en den beroemden componist Bela Losty, die Mela Mars aan de piano begeleidde. Dan de arme Dany Gürtler, die krankzinnig is geworden. Zij was daarbij. Hij zong „Meine Kirche ist die Welt”, toen er een schijnwerper brak. Hij vroeg hem de scherven te brengen. Men bracht hem die en toen sneed hij zich over de hand. Daarna werd hij weggevoerd. Dat was heel tragisch. Deze en andere gebeurlijkheden in Ada Sorel’s leven hebben haar rijp gemaakt. Zij vertelde mij nog dat zij vroeger ook last had van Bühnenfieber, maar nu niet meer. Vele kunstenaars studeeren voor den spiegel. Zij kan dat niet. Zij neemt ’n liedje eenige malen door en dan zingt zij het, terwijl zij zich op haar gevoel laat drijven.

Wij bleven nog wat praten over het Ueberbrettl. Van de zomer denkt zij naar Christiania te gaan. Ook daar zijn cabarets. En heel goede in Praag en in Lucern. In Zürich is een bekend cabaret „die Bonbonnière”, waarvan Schneider Dunker de manager is. In München zijn of waren de bekende cabarets de Simplicissimus en vooral de 11 Scharfrichter, waar Wedekind, Bierbaum en von Wolzogen, die de oprichter daarvan was, zijn opgetreden.

Ten slotte zullen wij ’n paar liedjes van Bierbaum, één van Wedekind en één van v. Liliencron citeeren.

DER LUSTIGE EHEMANN (Bierbaum)

Ringelringelrosenkranz,
Ich tanz mit meiner Frau,
Wir tanzen um den Rosenbusch.
Klingklanggloribusch,
Ich dreh mich wie ein Pfau.

Zwar hab ich kein so schönes Rad,
Doch bin ich sehr verliebt
Und springe wie ein Firlefink,
Die weil es gar kein lieber Ding
Als wie die Meine gibt.

Die Welt, die ist da draussen wo,
Mag auf dem Kopf sich stehn !
Sie intressiert uns gar nicht sehr,
Und wenn sie nicht vorhanden wär,
Würds auch noch weitergehn :

Ringelringelrosenkranz,
Ich tanz mit meiner Frau,
Wir tanzen um den Rosenbusch,
Klingk langgloribusch,
Ich dreh mich wie ein Pfau.

ROSEN (Bierbaum)

Als ich im kurzen Röckchen ging,
Da wusst ich gerne jedes Ding
Und Hess der Mutter keine Ruh:
Warum? Weshalb? Wieso? Wozu?
Schwer war es, Antwort sagen
Auf so viel schwere Fragen:
Du, Mama, sag, Mama
Wozu sind denn die Rosen da?
Sprach Mama:
Eisasa
Rosen sind zum Brechen da.

Nun trag ich schon ein langes Kleid
Und bin selbst fürchterlich gescheit
Und darf nicht jeden stellen : Du,
Warum ? Weshalb ? Wieso ? Wozu ?
Und hab doch viel zu fragen.
Was würde sie wohl sagen,
Früg ich : Du, sag, Mama:
Wozu sind denn wir Madchen da?
Sprach Mama:
Eisasa
Madchen sind zum Kussen da.

Wat Wedekind betreft : Ik houd niet van zijne kunst. Hij heeft eene onreine phantasie en ik geef als een staaltje van zijne mentaliteit het volgende gedicht:

DER TANTENMÖRDER.

Ich hab meine Tante geschlachtet
Meine Tante war alt und schwach;
Ich hatte bei ihr übernachtet
Und grub in den Kisten-Kasten nach.

Da fand ich goldene Haufen,
Fand auch an Papieren gar viel,
Und hörte die alte Tante schnaufen
Ohn Mitleid und Zartgefühl.

Was nutzt es, dass sie sich noch harme –
Nacht war es rings um mich her –
Ich stiess ihr den Dolch in die Darme,
Die Tante schnaufte nicht mehr.

Das Geld war schwer zu tragen
Viel schwerer die Tante noch.
Ich fasste sie bebend am Kragen
Und stiess sie irn tiefe Kellerloch. –

Ich habe meine Tante geschlachtet,
Meinte Tante war alt und schwach;
Ihr aber, o Richter, ihr trachtet
Meiner blühenden Jugend – Jugend nach.

Van Detlev von Liliencron het bekende

DIE MUSIK KOMMT

Klingling, bumbum und tschingdada,
Zieht im Triumph der Perschershah ?
Und um die Ecke brausend brichts
Wie Tubaton des Weltgerichts,
Voran der Schellentrager.

Brumbum, das grosze Bomhardon,
Der Beckenschlag, das Helikon,
Die Piccolo, der Zinkenist,
Die Türkentrommel, der Flötist,
Und dann der Herre Hauptmann.

Der Hauptmann naht mit stolzem Sinn,
Die Sohuppenketten unterm Kinn,
Die Scharpe schnürt den schlanken Leib,
Beim Zeus! das ist kein Zeitvertreib.
Und dann die Herren Leutnants.

Zwei Leutnants, rosenrot und braun
Die Fahne schützen sie als Zaun,
Die Fahne kommt, den Hut nimm ab,
Der sind wir treu bis an das Grab.
Und dann die Grenadiere.

Der Grenadier im strammen Tritt,
lm Sohritt und Tritt und Tritt und Sehritt,
Das stampft und dröhnt und klappt und flirrt,
Laternenglas und Fenster klirrt.
Und dann die kleinen Mädchen.

Die Madchen alle, Kopf an Kopf,
Das Auge blau und blond der Zopf,
Aus Tür und Tor und Hof und Haus
Schaut Mine, Trine, Stine aus.
Vorbei ist die Musike.

Klingling, tschingtsching und Paukenkrach,
Noch aus der Ferne tont es schwach
Ganz leise bumbumbumbum tsching,
Zog da ein bunter Schmetterling,
Tschingtsching, bum, umd die Ecke ?


Morgen meer over een andere buitenlandse -onderbelichte- invloed: de Zweedse zanger en luitspeler Sven Scholander.

Categorie: Zoals de ouden zongen | Meer over: , , , , , , , , , , , , , , , , ,
Richard van Bilsen. Maker Zwartekat.nl.