nieuws  voorpagina archief Youtube Spotify Instagram Facebook Mastodon Bluesky
Nieuws

Het Nederlandsche cabaret door Edmond Visser (10)

In 1920 schreef de journalist Edmond Visser (1882-1941) in de serie artistieke handboeken ‘Nederlandsche Kunst’ een deel getiteld ‘Het Nederlandsche Cabaret’. Daarmee werd hij de eerste geschiedschrijver van het Nederlandse cabaret.

Het boek bevat beschouwingen van de buitenlandse invloeden. Daarnaast interviewde Visser de cabaretspelers uit die periode, zoals Jean-Louis Pisuisse, J.H. Speenhoff en vele anderen.

Elke dag plaatsen we een hoofdstuk. Ditmaal liedjesschrijver, cabaretier en zanger J.P.J.H. Clinge Doorenbos.

DE HEER EN MEVROUW CLINGE DOORENBOS

Als ik ergens gezellig gepraat heb dan was het wel daar in dat mooie villatje te Bussum, waar het jonge echtpaar woont. Hij, ’n aardige …. jongen – zou je haast zeggen – met leuke jongensachtige gebaren en wendingen, zij ’n „femme du monde”, die weet te ontvangen. Ongekunsteld. Lief. Charmant. –

Heel aanvankelijk vonden ze ’t maar zóó zóó, geloof ik, ’t idee van in ’n boekje. Maar toen toch wel erg leuk: ’n Boekje over „het cabaret”, waar zij zoo veel voor voelen.

Moet ik Clinge Doorenbos bij u als vervaardiger van liedjes introduceeren ? Is er wel ’n dorp, ’n gehucht, ’n vlek in ons land, waar niet iedereen „Het vogeltje op Nelly’s hoed” of „Het meisje aan de lus van lijn 2″ kent ? En dat hij zelf zijne liedjes zingt met zijne vrouw als accompagnatrice aan de piano, wie die soldaat is geweest in „de mobilisatie” of maar een soldaat kent of wel eens een soldaat uit die dagen gesproken heeft, zou dat niet weten ?

Maar wij geven hem zelf het woord :

,,’t Is heel eigenaardig. Op school maakte ik al spotliedjes op menschen. Iets zit er bij je in of niet. En op school hield ik al van opstellen maken in tegenstelling met mijne medeleerlingen, die mijne liefhebberij niet deelden. Nou, je begint dan te zingen, als je liedjes hebt gemaakt, zooals dat altijd gaat, op familiepartijtjes. Geen dergelijk feestje was er of ’t moest gebeuren. De kring wordt uitgebreid : Na je debuut op familiefeestjes, krijg je ’n zekere vermaardheid. Vereeniginkjes in den omtrek hebben van je gehoord. Ze noodigen je uit. Je zit er eigelijk meê in. Maar vindt ’t toch wel streelend voor je ijdelheid, al ben je nog zoo weinig ijdel. En na zoo’n avond zeg je tegen je zelf : „Verdikkie, dat is leuk dat de menschen ’t aardig vinden.”

„Ik houd ’t meest,” vervolgde hij, „van ’n eenvoudig, eerlijk spheertje. En – nee dat bedoel ik niet in dat verband – in ’n eigenlijk „cabaret” ben ik nooit opgetreden – ja ééns, toen Max van Gelder zijn 25 jarig jubileum vierde. Nú kan ik best ’n avond vullen, maar vijftien jaar geleden kon ik dat niet. Weet u wat ik begon te doen ? Ik liet de menschen in de zaal op briefjes ’n onderwerp zetten. Daar fantaseerde ik dan ’n liedje op. Allicht waren er bij de vele onderwerpen ’n paar, die zich daar toe leenden. Je zoekt, je rijmt en ’t is of Onze Lieve Heer je op ’t laatst “n eigen woord stuurt. En, kijk, zóó is ons repertoire uitgebreid. Zóó treed en trad ik dan vaak op in Nutsdepartementen. Maar de mobilisatie deed de deur dicht of – beter gezegd – de mobilisatie deed de deur wagenwijd open voor m’n liedjeszingerij. Ik was eerst gewoon korporaal bij de landweer en ik lag in Maarssen. De avonden waren vervelend en lang en ik dacht: Ik zal ’n pretje maken en ze wat voorzingen. Ik zong voor ’n klein kringetje, laat me zeggen voor vijftig jongens. Maar dan gingen er drie weg of twee of een en ieder kwam weêr met ’n paar mannetjes terug, die ze uit de kroeg hadden gehaald.

En in mijn’ soldatentijd heb ik de waterlinie en de forten langs gereisd. Ik was niet zoetelijk : De grootste standjes gaf ik ze soms, maar in den vorm van ’n grapje, ’t Heele land trokken wij door, m’n vrouw en ik. Nu was er voor andere menschen ’n heele soesa noodig vóór ze op reis gaan konden in dien tijd en toen we eens in Tilburg waren, begreep generaal Weber niet hoe w ij zoo makkelijk reizen konden. Weet u hoe dat kwam ? Mijn kapitein vroeg doodeenvoudig niets aan. Dat was nog is ’n kerel met initiatief, zooals wij er weinig hebben.

Al heel gauw werd mijn liedjes zingen dienst. Generaal Kleynhens vroeg of ik naar den Haag wilde komen, in de ontspanningsdienst. En toen heb ik wel 400 avonden door ’t heele land gegeven en ik kan gerust zeggen dat ik tot de allerslechtst betaalde artisten behoorde : Ik kreeg 30 ets. per dag. In negorijen zong ik en daar kwamen dan ook wel notabelen. En dat heeft dan ook weêr de stoot gegeven voor ons verder werk. Wij werden gevraagd uit liefdadigheid op te treden voor dit en voor dat. We doen dat graag, want mijn eigenlijk vak is het liedjes zingen niet. Ik ben particulier secretaris van dr. Janssen. En die is een bekend philanthroop. En zoo is dat secretariaat al weêr de schakel voor mijne liefhebberij. Zóó doen wij wat voor de volksontwikkeling, treden graag en bij voorkeur op voor „Ons Huis”, voor „de Speeltuinen” en zoo meer. O, d’r zit zoo’n macht, zoo’n opvoedende kracht in. Mijn hoofdprincipe is : ’n Liedje mag zijn zoo ’t is, maar nooit scabreus. Als je moeder, je meisje of je dochter er niet bij mogen zitten, dan is ’t geen eerlijk liedje. En zoo vind ik ’t ook erg jammer dat zoo veel makers van liedjes zich blind staren op ,,’t bedrogen meisje”.

Makkelijk is ’t niet om altijd stof te vinden. Geloof me, drie avonden achter elkaar met verschillende van je eigen liedjes te vullen in „Salvatori” te Amsterdam b. v., valt niet meê.

Om nog es even op m’n soldatentijd terug te komen : Ze smokkelden wel eens niet-soldaten meê. ’n Koetsier of ’n arme naaister en die was dan wat blij eens ’n oogenblikje met d’r gedachte uit de distributiemisère te komen. Maar de dienst was zwaar. Op den tweeden Paaschdag kregen wij een regeeringstelegram of we ons beschikbaar wilden stellen. En we hebben toen op dien éenen dag op drie forten gezongen. Drie soirées op één dag. Zoo’n soirée eindigde dan met „het Wilhelmus”. Dan gauw in ’n auto en naar ’n ander fort. Uitstekend hielp ons bij dat alles dr. de Hartogh van de Plantage Middellaan in Amsterdam. Dat was de man.

Ik sprak van ’n kracht ten goede, die wij uitoefenen konden. Ik was maar korporaal, maar ik spaarde de spot niet, ook niet de spot op de hoogeren. En dat lieten zij zich best aanleunen ook. Op de Harskamp was er eens groote ontevredenheid. Ik deed wat ik kon, sprak de menschen toe : „De officieren zijn toch ook in dienst. Laten we nou niet kankeren. Als iedereen nou doet wat ie doen moet, dan gaat ’t toch wel.” En zoo’n gemoedelijk praatje gaat er dan wel in.

Op Kattenburg zong ik vaak ’n liedje : „Holland, pas op !” Dat is ’n propagandaliedje op de Burgerwacht. Ik zing ’t nog altijd. Nou zijn ze op Kattenburg niet erg burgerwachterig en zóó zei eens een bewoner van die buurt tot me : „Als u gezegd had, wat u zong, dan leefde u niet meer.”

Weet u wat zoo eigenaardig is op Kattenburg : Die lui voelen zich altijd de minderen in de wereld en zijn door en door goedhartig. Zóó gaven ze ons een rammelaar voor ons kind cadeau en ze speechten : „Daar u de vrijpostigheid heeft tot ons af te dalen.”

Mijne vrouw is vóór alles huismoeder” vertelde Clinge Doorenbos verder, „dan pas artiste. Maar dat is ze tochook, want zij accompagneert me niet alleen, maar ze maakt ook de wijsjes op m’n liedekens. Ze kan met de mooiste melodietjes bezig zijn, maar als de wasch dan b.v. komt, dan laat ze de melodietjes rusten.”

Natuurlijk ontkende mevrouw dit laatste. Vrouwen ontkennen altijd wat niet te ontkennen valt. En de geloofwaardigheid des mans op deze en ook op andere Punten, lieve ltzeressen …. enfin, ge weet ’t beter dan ik het zeggen kan.

Maar wij geven weêr het woord aan Clinge Doorenbos : Dan heb ik nog een reserve-accompagnateur : Henri U Dupont uit Nijmegen. Die staat dag en nacht klaar om met mij meê te gaan, waar het ook zij, als mijn vrouw verhinderd is en hij is een buitengewoon gevoelig begeleider.

Ofschoon mijn vrouw en ik niet Katholiek zijn treden wij vaak op voor Katholieke kringen. Zóó voor de Joseph’s Gezellen Vereeniging, dan b.v. te Haarlem voor den Katholieken Vrouwenbond. Nou was vroeger hun wensch eerst de liedjes eens in te mogen zien vóór ik ze zong. Maar dat wilde ik niet en zij berustten. En zie, zij behooren nu tot het prettigste publiek. In drie tellen zijn ze in de spheer, waarin ik ze hebben wil. De paters zingen zelfs mee.

Van welke liedjes ik ’t meeste houd ? Ach, t is zoo moeilijk te zeggen. Misschien wel ’t meest van de liedjes op m n kinderen Die zijn het intiemst. En dan meer van de ernstige liedjes. Ik ben ’n beetje ’n schoolmeester. Ik houd van liedjes met ’n moraal. En ’t glijdt er bij de menschen m. Och, ’t maken en zingen van onze liedjes is zoó zeer een onderdeel van ons leven dat we ’t voor geen geld zouden willen missen. Als je je eigen idee in ’n liedje kunt leggen, is ’t zoo prettig.

Ik zei u dat we graag voor eenvoudige menschen zingen. Maar ’n enkele maal is ’t toch wel eens goed voor een meer select publiek op te treden. Zóó gaven wij éen dezer dagen een avond in „Diligentia” in Den Haag. Daar had je nou niet van te voren die sympathie, die je in andere kringen hebt. Die menschen daar zijn dus onbevooroordeeld. Uaar moet je de sympathie maken. En dat is eens goed om je talent te toetsen. En ik zou durven zeggen dat we groot succes hadden, ook dáár.”

Toen was onze zanger zoo vriendelijk een paar liedjes voor ons te zingen en mevrouw accompagneerde bereidwillig. Een zeer intiem liedje van hem is „Bloemen”, waarin hij schetst welke rol de kinderen Flora’s spelen in elk stadium van het leven van den mensch. Als ’t kindje geboren wordt zijn er bloemen ; als de grootmoeder sterft.

En hij declameerde voor ons „het smerige handje” : De moeder, die het kind berispt, omdat zijn handje zoo smerig is, maar met weemoed aan dat smerige handje denkt als het kindje gestorven is. Nog vertelde Clinge Doorenbos ons dat hij ook voor particulieren liedjes maakt. Ze vragen hem wel eens : „Mijn broer gaat trouwen. Die en die gegevens. Maakt u eens ’n liedje.” En dat doet hij dan ook met plezier. Zóó kreeg hij van alle mogelijke vreemde menschen uit dankbaarheid dan weêr mooie cadeaux op zijn trouwdag, wij heter mij vele zien. ’t Alleraardigst was wel een album met de verschillende handteekeningen van de militairen, voor wie hiji had gezongen, van af den Prins tot den minsten soldaat.

Ons oordeel over Clinge Doorenbos als artist komt overeen met dat van Max Blokzijl, die dichtte :

„Eenvoudig en echt is het levenslied;
Wie ’t zingen wil, – begrijpt het niet;
Wie ’t uit wil galmen – voelt het niet;
Maar wie ’t zeggen wil, van hart tot hart,
Met zijn echte vreugd, zijn diepe smart,
Die make van kunst-conventie zich los
En zinge als Clinge Doorenbos.

Ten slotte citeeren wij twee liedjes, door C. D. gemaakt : een ernstig en een vroolijk. Het eerste is :

DE STOEL MET DE BLOEMEN VAN BLAUW

Pa had het de kleintjes verteld al.
Ze zeiden ’t elkander zacht na:
Nu Moedertje nooit bij hen t’rug kwam,
Nu kregen z’een andere Ma.

Dat Moedertje nu was gestorven
Begrepen de drie niet zoo gauw,
Haar stoel stond precies op zijn plaats nog,
Die stoel met die bloemen van blauw.

Op zekeren dag kwam de moeder,
De kindertjes keken haar aan,
Ze gaven heel netjes een handje,
In Vader zijn oog blonk een traan …
Men zette zich rondom de tafel
En Jantje van vijf zei: Mevvou,
D i e stoel daar, die is voor ons Moekje,
Die stoel met die bloemen van blauw.

Begrijpend het teer kinderzieltje
Liet zij Moeders stoel ledig staan,
Zoo zijn er eerst dagen, toen weken,
Toen maanden voorbij gegaan.
Op zekeren dag kwam de kleinste,
Die pakte haar vast aan d’r mouw …
Vader zag ’s avonds een viertal
Op die stoel met die bloemen van blauw.

Is dat met een liedje, gevoelig van inhoud ? „Het beste criterium” zei Clinge Doorenbos, „of ’n liedje goed is, is als m’n vrouw tranen in d’r oogen heeft.” Nu, dat zal ze bij dit liedje dan wel stellig gehad hebben. Ten slotte een vroolijk liedje :

DE STRAATJONGEN

Niemand voelt zich zóó vrij,
Niemand fietst er als hij,
Niemand lacht er zóó blij
En is overal bij.
Niemand loopt er zóó snel,
Niemand heeft zóó’n dik vel,
Niemand voelt zich zóó wel
Na een ruk aan een bel.
Niemand die zich zóó uit,
Niemand heeft er zóó’n snuit,
Niemand die er zóó fluit
Met zóó’n schel, schril geluid. .
Niemand Jheeft er zóó’n maag,
Niemand is er zóó’n plaag,
Niemand zingt er zóó graag,
Gister, morgen, vandaag.
Niemand klimt er zóó hoog,
Niemand antwoordt zóó droog,
Niemand, die er zóó loog,
Met zóó’n levenslust oog.
Niemand is zóó vaak zoek
Niemand weet er zóó’n vloek,
En heeft zóó’n zondenboek
En zóó’n gat in z’n broek.
Niemand heeft er zóó’n schik,
Niemand heeft er zóó’n blik,
Niemand zegt er zóó „stik”
En heeft zóó’n eigen „ik”.
Niemand is zóó bij de hand,
Heeft zóó’n knikkerverstand
En zóó’n pret bij ’n brand,
Zóó aan dienders het land.
Niemand die U zóó tart,
Niemand is er zóó zwart,
Heeft zijn haar zóó verward
En zóó’n goed Hollandsch hart.
Niemand is zóó kordaat
En tot zóó veel in staat
En zóó’n trouw kameraad
Als de Koning der straat.


Morgen de chansonniere en latere schrijfster Willy Corsari.

Categorie: Zoals de ouden zongen | Meer over: , ,
Richard van Bilsen. Maker Zwartekat.nl.