Het boek bevat beschouwingen van de buitenlandse invloeden. Daarnaast interviewde Visser de cabaretspelers uit die periode, zoals Jean-Louis Pisuisse, J.H. Speenhoff en vele anderen.
Elke dag plaatsen we een hoofdstuk. Ditmaal acteur, cabaretier, zanger en revueartiest Louis Davids en de Engelse componiste, actrice, revueartieste, pianiste, muzikante, danseres en zangeres Margie Morris.
LOUIS DAVIDS EN MARGIE MORRIS
Hij tip top in een keurig getailleerde rok, every inch a gentleman, zy in ‘n… .’ja is ’t wit crêpe de chine, lezeressen ? – in ’n wit crêpe de chine robe, every inch a lady. Zij accompagneert, hij zingt. Hij zingt met ’n droog snuit ’n Engelsch liedje, ,,a song” op ’n bekoorlijk wijsje, op ’n wijsje dat je dagen nadat je ’t gehoord hebt naneuriet, op ’n wijsje dus dat blijft ,,hangen”. En dan wipt zij weg van de piano en hij gaat op ’t krukje zitten en ze zingen samen of wel hij alleen of wel zij alleen. Beschaafd. Heel heel beschaafd. En dan zingen zij ’t liedje in ’t Hollandsen, zij ’t Hollandsen ’n beetje radbrakend om goed te laten hooren dat zij ’n Engelsche is. Hij is ’n Hollander, hij, die ’t Engelsch zoo heel zuiver spreekt. Niet waar, Louis Davids is ’n Hollander ? Maar heel erg verwonderd zou u zijn als u vernam ie. dat Davids geen Amsterdammer is, hij, die de psyche van de Jordaan zoo te doorpeilen weet, maar ’n Rotterdammer, 2e. dat hij niet van „hooge komaf” is, maar uit ’n milieu van kermisluidjes ; van huis uit ’n kind van respectabele, maar héél kleine tingeltangelartistjes. En die afkomst vergeet, noch verloochent hij ooit.
Wij troffen hem in ’n café. Vreemd, die kalme, droge chansonnier was nu zeer bewegelijk. Nerveus, zeer nerveus. Pas uit Indië. Bezig ’n revue in elkaar te zetten, ’n nieuwe revue, die over eenige weken „gaan” zou. Kwiek in zijne bewegingen, rad van tong, haast niet bij te houden.
Hoe hij begonnen was ? In ’n primitief tingeltangel. Met ’n bakje rondgegaan om centen op te halen, centen, meneer, op kermistournéetjes met vader en moeder, beiden artisten.
Maar hij is ’t ook geweest, die ’n zestienjarig joggie nog, ’t eerst den strijd heeft aangebonden tegen dat bakjes-rondgaan-systeem, ’n artist onwaardig. Een strijd, hardnekkig, gestreden tegen onwil en gekanker van menschen en die dachten, dat ’t om hun broodje gaan zou, ’n strijd ten slotte gewonnen.
Al heel gauw kreeg hij afschuw van de rommel. In Rotterdam was hij geboren. De Zandstraat was z’n element.
En hij was begonnen als „wonderkind”, hij en later ook z’n zusje, die nu ’n bekend revue-artiste is met ras en temperament. Toen heeft hij talen geleerd. En met z’n idealen getracht ’t peil van z’n liedjes op hooger plan te brengen – „daar zijn we altijd nog aan bezig” vertelde hij. Goeie teksten en nooit, nooit gemeen.
Maar laat ons eerst even ’n kort overzicht geven van ’t leven van dezen pienteren jongen. Pienter is hij en – wat de Amsterdammers noemen – „tof”. Op z’n 25 jarig jubileum – hij is nog maar iets over de dertig – heeft ’n feestredenaar gezegd : „Er zijn drie groote Louis : Louis Bouwmeester, Louis de Vries en Louis Davids, maar Davids is de „tofste”.
Toen David wat ouder was kwam hij in Amsterdam in tingel-tangels in Warmoesstraat en Nes. Geroutineerde „jongens van de vlakte” kenden in vroegeren tijd die buurten op hun duimpje – nü zijn we goddank, heel erg zedelijk, heel, heel erg zedelijk als op ’n hofje, hier in Amsterdam -, maar in dien ouden, nog slechten tijd (haast had ik me verschreven en „goeden” tijd gezet) was de „Vic” in de Nes ’n héél bekend variété-établissement, waar ook nog Solser ih zijn Flipjes-creatie’in de „artisten-revue” successen had van jawelste. Toen dan, in dien Nestij d maakte Davids zelf al zijne coupletten. En de muziek.
Na de Nes naar Frits van Haarlem, naar den grooten Frits van Haarlem, „primus inter pares” van de variëteiten-ondernemers. Die nam hem meê naar Londen. Dat was ’n nieuwe wereld. Davids, handig, vlug van aannemen, dacht, na ’t zien van schitterdend gemonteerde revues : „Ken ik nou zelf zoo’n ding niet in elkaar flansen ?” En kort daarop, jawel, ging in Amsterdam zijn revue „Koning ‘k Ziezoowat in Amsterdam”. En nog vele, vele na deze.
Later is hij ook naar Duitschland gegaan, zong daar met z’n bekend „lef” in ’t Duitsch, oogstte succes,, applaus en geld, dook weêr op in Amsterdam, creëerde Tinus – wie kent Tinus niet ? – in de revue „Loop naar den Duivel!” Toen met ’t zelfde „lef” naar Engeland, in ’t Engelsch gezongen, al kon hij van Engelsch geen woord. Maar de Berlitzschool en ’t hooren van de taal was voor den „toffen jongen” genoeg. Succes.
In Engeland ontmoet hij Margie Morris, Margie uit ’n chique milieu, officiersdochter. Haar zien en haar beminnen is synoniem. En zij beantwoordde die liefde. Brak met sleur en met vooroordeel en volgde hem, dien zij had uitverkoren. Davids in de operette, deze veelzijdige, in ,,de Kinokoningin”. Daarna mobilisatie. . . . pok Margie werd gemobiliseerd. Daarover straks meer. Toen onsterfelijke roem met de muziek, gecomponeerd bij Bouber’s „Bleeke Bet”. Wie kent niet het lied van ,,de roode en witte radijs ?” En daartusschen door telkens optreden in ’t cabaret in het Centraal-theater met hun beiden, Louis en Margie. Na deze opsomming geven we Davids zelf ’t woord : „Ik heb dan veel rondgereisd : in Frankrijk, Oostenrijk, Duitschland, Engeland, België en ten slotte zooals u weet ben ik naar Indië geweest. Ik zing nu veel in ’t Engelsch, want daar is ’t in de „musichall” waar de muzikale kunst, die van mijn gading is, ’t beste gedijt. Prettig en beschaafd. Weet u dat ik de eerste Hollander was, die in Engeland in ’t variété gezongen heeft ? Nu dan, in ’t begin kon ik met dat Engelsche chanson nog niet zoo goed overweg. Je voelde ’t rythme dan nog niet zoo. Nu wel. Ook ’t Hollandsche liedje tracht ik te brengen en beschaafder, beter, mooier, muzikaler. En weet u, niet alleen de menschen die f 3.50 entrée betalen, maar ook de arbeider moet leeren lachen en huilen om ’n frisch of gevoelig liedje. Als je nou alleen sterk literaire of visionaire liedjes zingt, och lieve menschen, dan gaat ze dat voorbij. Lieve hemel, die menschen kennen toch ook niet Shakespeare, Lessing en Schiller van buiten. Eigenlijk is ’t zóó : Ik ben ’n soort liedje gaan schrijven voor de meer en voor de minder intellectueelen, beiden. De „upper ten” hebben d’r net zoo goed wat aan als de gewone luidjes. Eigenlijk is ’t cabaret nog niet genoeg gegroeid. We staan nog aan ’t allereerste begin. De tekst moet goed zijn èn de melodie, zoodat ’t de menschen in de ooren blijft. Daar heb je nou dat liedje : „Had je niet die mooie blauwe oogen.” Is er ’n gewoner geval denkbaar ? En wat had ’t niet ’n succes ! In Engeland, ha ! daar worden liedjes, door groote Engelsche „stars” gemaakt, door de allereerste uitgevers uitgegeven. Enfin. Zooals gezegd, banaal ben ik nooit. Wel misschien ruig. Want ja, de Jordaners laat ik geen salontaal praten. Die praten nou eenmaal van „de bokkum in de sem” (jam) zooals ik die menschen in m’n liedje, dat zoo ingeslagen is, in „In ’t bosch, in ’t bosch, in ’t groene bosch” laat zeggen. Die luidjes in de Jordaan hebben ’t nou eenmaal niet dagelijks over caviaar. Ik ben al maar bezig, met liedjes en met revues. De menschen vinden ’t schitterend, maar gelukkig ben ik niet ijdel en weet ik zelf dat er nog wel kaf onder ’t koren is en menig ding dat z ij mooi vinden, vind ik gewoonweg leelijk. Die Tinuscreatie mag aardig zijn, maar ik heb hoogere aspiraties. Ik wil ook de revue verbeteren, ik wil ’n meer literaire revue gaan schrijven. Nou ja, geen hooge literatuur natuurlijk, maar u begrijpt me wel.
’t Is eigenaardig : Margie en ik, we staan eigenlijk op vijf beenen. Café chantant, revue, operette, cabaret en – ja daar zult u van opkijken – eigenlijk ook comedie. Zal ik u es wat vertellen : Misschien ziet u me nog es op ’t Leidsche plein. Haast was ik verleden jaar geëngageerd voor. . . . den Nar in Shakespeare-stukken. En nou zal ik u nog es wat vertellen : Comediespelen is stellig minder moeilijk dan m’n vak van nu, waarin je ’n publiek soms heel alleen of met je tweeën den heelen avond moet bezig houden.
Daarvoor moet je telkens nieuwe liedjes maken bovendien, want Holland is ’n klein land, niet waar ? En als je dan bovendien geen concessies wilt doen aan je kunst-principes, als je ’t nu eenmaal vertikt om te vervallen in dat grove, realistische genre, waarin jeugdige auteurs zich zoo zeer uitputten, als je ’t nou niet wilt hebben over den ouën mainteneur en ’t jonge meisje, dan komt er heel wat kijken. Nee, Speenhoff, dat is ’n kerel ! Er gebeurt wat – alle dagen gebeurt er wat – en rrt, hij maakt er ’n liedje op. Dat is ’n kunstenaar !
Ik beklaag me er eigenlijk heelemaal niet over dat ik vroeger in ’t tingeltangel was. Zal ik u eens m’n stelling verkondigen : Bovenal uit circus- en café-chantantartisten komen veelzijdige talenten. Die zijn immers vaak. jongleur, clown en mimodramakunstenaar tegelijk geweest. Ik voor mij vind nou b.v. de tooneelschool niets gedaan. Daar leeren ze je zelfs grimeeren. Alsof je dat leeren kunt. Dat ken je of dat ken je niet, net als schilderen. En aan de „Schmiere” krijg je immers veel meer ervaring. En dan hebben ze ’t zoo veel over de afkomst. Als ’n Jordaner – gesteld hij is artist – ’n meneer moet voorstellen, dan lapt je ’t em, maar laat ’n meneer es’n Jordaner voorstellen !
In Indië hebben we triomfen gevierd. Ze smalen wel es op Indië, maar ze moeten daar evenmin iets hebben van deftig-doenerij als van tweederangs prutserij. ’t Peil van ’t publiek staat daar hooger dan bij ons. Ik ben daar ook nog „journalist” geweest op mijn manier. Ik ben altijd nogal strijdvaardig en misschien maak ik me daardoor veel vijanden, maar ’n mensch is nu eenmaal zooals die is. Nu dan m de „Locomotief” ben ik te velde getrokken tegen het dilettantisme in de kunst. Dat is me toen heel erg kwalijk genomen.
Wou u nog wat van m’n militairen tijd weten ? Wij hebben het eerste militaire cabaretgezelschap gevormd. Wij hebben onze liedjes gratis op forten gezongen, Margie en ik, totdat ze van hooger hand dat bureau van Ontwikkeling en Ontspanning gingen maken. Daar wou ik niks mee te maken hebben, ik hou niet van dat officieele gedoe en toen ben ik er mee opgehouden. Maar eerst hebben we heel hard gewerkt. En weet u wat u nou gerust schrijven mag : We hebben er nooit ’n bedankje voor gehad. Wel van soldaten en wel op mijn jubileum persoonlijk van m’n kolonel. Maar nooit van hooger hand. En nou moet u es bedenken dat ze in Engeland Harry Lawder, den variétéartist, omdat hij voor de soldaten is opgetreden, hebben geridderd. Nou ja, ik wensch volstrekt geen „sir” te worden, maar ’n gewoon briefje van ’n autoriteit had er toch wel op over mogen schieten. Heel goed heb ik in dien tijd geleerd wat ’t volk wel en wat ’t volk niet wil hooren. Alle deftigdoenerij … nee. Al dat propagandagedoe, nationale verbetering van de volkszang … de zalen loopen er bij leeg. En ’t is prettig voor ,,’t volk”op te treden. Gisteren in Hilversum in ’n volksbioskoopje geweest en ’t was uitverkocht ! En voor ,,’t volk” wensch ik ’t echte, goede cabaret – niet ’t cabaret met clubfauteuils – en ik zou willen dat dat ‘t variété zou verdringen.
Ook de revue wil ik op ’n hooger peil trachten te brengen.
Want ’t is tot nou toe nog maar treurig. Eigenlijk zou ik willen meer inhoud, desnoods minder mooie pakjes. Minder bombastisch, mindes grof, minder bruut. Dat is in Engeland allemaal veel beter.
Ik geloof dat mijn liedjes rhytmisch zijn, want ze slaan in. Mengelberg heeft op m’n jubileum gezegd dat m’n cabaretliedjes mooi zijn. Ik wou dat ons volk ’n goeie, muzikale opvoeding kreeg. Daarom zijn de volksconcerten zoo nuttig. Wilt u gelooven als ze in het Concertgebouw m’n „mooie witte en roode radijs”muziëk zouden spelen dat de zaal dan meer dan uitverkocht zou zijn.Waarom moet ’t allemaal deftig zijn. Ook in de comedie. Ik voor mij zie liever Bouwmeester ’n oue draak spelen dan ’n overfijn „societyplay” van Shaw. Heel mooi om te lezen, maar in den schouwburg gaan al die paradoxen je voorbij. En wat is ’t knappe van Bouwmeester in ’n oue draak ? Dat ie ’t onmogelijke mogelijk voor je maakt. M’n liefhebberijen zijn sport, boksen, zwemmen en dan scharrelen in muziek.
Margie Morris’ liefhebberijen zijn weer heel anders. Die is stapel op astrologie en op handlijnkunde. Dat hoort zoo heelemaal bij d’r frêle persoonlijkheid. Zij is, ofschoon zij ’n aristocrate is uit ’n officiersfamilie, ’n geboren artiste. Eerst wilde zij naar ’t tooneel gaan. Maar hare roeping is toch eigenlijk de muziek. De „groote” operette haar ideaal. Zij componeert heel goed. En…. ze is heel erg lief.
Ik wil eindigen met ’n klacht: Wanneer wordt onze soort kunst eens behoorlijk gesubsidieerd ? Onze goede cabaretkunst ?”
Wie meer van Louis Davids’ interessante persoonlijkheid wil weten, die leze „Tingeltangel” door Jan Feith (uitgegeven bij Scheltens & Giltay).
Morgen Jan van Riemsdijk, zanger van boerenliedjes.



