Het boek bevat beschouwingen van de buitenlandse invloeden. Daarnaast interviewde Visser de cabaretspelers uit die periode, zoals Jean-Louis Pisuisse, J.H. Speenhoff en vele anderen.
Elke dag plaatsen we een hoofdstuk. Ditmaal de zanger Marcel Barger.
MARCEL BARGER
Een tengere, slanke, bleeke jonge man met diepe, donkere, bruine oogen. In zijn Pierrot-gewaad komt hij op de planken, met zijn Pierrot-liederen heeft hij naam gemaakt. Mooi is zijn heldere tenor, zijn schoon getimbreerd geluid. Betere zang dan wij dat in het cabaret gewoon zijn. Maar niet alleen zijn zang is mooi, ook zijne bewegingen, zijn mimiek. Zie, hoe hij de slanke vingers beweegt, zie hoe hij doet met zijne handen, met zijne bijna vrouwelijke handen. „Zijn beenen zijn als bloemenstengels” hoorde ik eene van onze beste actrices eens zeggen, toen zij in verrukking naar hem geluisterd en…. gekeken had. Thérèse Schwartze heeft hem als Pierrot bijna levensgroot geschilderd. Eene hulde aan zijn talent, voorwaar !
Marcel Barger is niet zijn eigenlijke naam (Meyer Streliskie, zk). Hij is van Russische afkomst, zijn moeder is eene Francaise, hij zelf Nederlander. Hij is nog jong : 27 jaar en hij is éen van de succesnummers van het cabaret en …. hij laat zich goed betalen. Op z’n achtste jaar tingelde hij al op de piano en zong hij met fijne stem ’n liedje. En ook hield hij toen al van actie: Hij speelde comedie, zoo maar voor de aardigheid. Hij had eveneens aanleg voor teekenen en voor schilderen. Een – wat je noemt – knap kind was hij dus. Maar het meest had hij toch altijd gevoeld voor muziek en toen hij zestien jaar was, dacht hij er over concertzanger te worden. Hij ging dus lessen nemen bij mevrouw Jacoba Dresden-Dhont, wier eerste leerling hij was. Van haar heeft hij veel geleerd. Zij gaf hem een compleete opvoeding in de muziek : Solfège, muziekleer en wat daar meer bij hoort. Het meest waardeert hij in haar dat zij hem vrij liet in eigen opvattingen en zoo beeldde hij zich vooral uit in het Fransche en in het Italiaansche repertoire. Die melodieuse talen trokken hem het meest aan. Hij had vier jaar les gehad toen hij – hij was dus 20 jaar – in de bekende dilettanten-operette-vereeniging „Phoenix” ging zingen.
Die vereeniging geeft vaak liefdadigheidsavonden en zóó zong hij in verschillende operetten hoofdrollen : in „Boccacio”, „la grande Duchesse” in „monsieur et madame Denise” van Offenbach. Uit deze vereeniging ontstond een dilettanten-cabaret. En daar zong hij voor het eerst zijn Pierrot-lied : „Bonsoir, madame la lune”, waarmeê hij zijn naam heeft gemaakt. Een toeval hoe hij daar zoo toe kwam : Zijne moeder, die goed zingt en goed piano speelt en die eene – volgens Barger – groote artiste is van nature, had Mare Henri en Maria Delvard in het Concertgebouw gehoord. Henri had daar dat lied gezongen. Zij speelde en zong ’t hem voor en Barger besloot dit ook op zijn repertoire te nemen. Op z’n bed studeerde hij iedere beweging, dacht zich in hoe Pierrot liep, keek, deed als hij „gegriseerd” raakte, leefde zich In in dezen Pierrot. Later had er een feest van de Handelsschool in den Stadsschouwburg plaats en daar zong hij dat wederom. Toen Max van Gelder hem nu eens in Zandvoort ontmoette, zei hij tot hem „Kom eens bij me.” Marcel Barger kwam, zij spraken samen, „maar,” zei hij, „goedkoop ben ik niet.” Hoefde ook niet en v. Gelder besteedde hem uit op particuliere soirées. Daar had hij veel succes en nu kwamen de engagementen van zelf. Hij ging nu door met het cabaret-genre, ofschoon hij er wel eens aan had gedacht operazanger te worden, maar hij voelde zich daartoe physiek niet sterk genoeg. Maar hij wilde vooral mooi zingen en hij is van oordeel dat als je technisch je stem in je macht hebt en je artist bent, de voordracht eigenlijk van zelf komt. Op z’n gramophoon heeft hij een plaat van Caruso en hij bewondert vooral diens tremolo’s en dat tremolo tracht hij door hard studeeren ook te krijgen. Hij studeert elke toon van elk liedje. ^ Hij bleef ook nog les nemen, nu van Signorita Marguérite Bevignani, operazangeres aan de Italiaansche Opera. Hij studeert thans veel voor zich zelf, legt zich toe op het „bel canto”, de fijne Italiaansche zangkunst: Het uitspinnen van de tonen in een eenvoudig liedje.
Zijn oordeel is dat als je goed zingt de expressie nog beter is dan bij „zeggen”. Als bewijs voert hij hiertoe aan dat zijn succes veel minder is, wanneer hij slecht bij stem is en hij de dictie aandikt.
Hij voelt zich nog aan het begin van zijne carrière staan en zijn ideaal is naar het buitenland te gaan en daar – o wat is hij nog jong ! – veel naam te maken en artistiek succes te verwerven. Hij leeft sober en houdt veel van zijn gramophoon. Eens beeft hij Caruso zelf gehoord en dat was hem eene openbaring. Van het zien van Caruso heeft hij veel geleerd : Alles was in harmonie, de stem, de plastiek, de mimiek.
De Pierrot is niet zijne lievelings-creatie, al is deze zijn voornaamste succes. Iedereen wil den Pierrot, hij moet telkens het Pierrot-lied zingen en wat je moet…. Hij houdt veel van het lied, waarin hij ’n apache moet voorstellen, maar het allerliefst zingt hij de Espagnolle : la Romanichelle. Ook houdt hij veel van de „Dame de piqué” dat sterk dramatische ding, waarin een minnaar valsch gaat spelen om aan de grillen van zijne liefste te kunnen voldoen.
Thuis zingt hij veel opera-liederen uit de „Bohème”, de „Tosca” en andere opera’s.
Toen de mobilisatie begon heeft hij eerst vier maanden actief gediend. Toen vroeg generaal Kleynhens hem of hij militair zanger wilde worden. Hij stemde toe, op voorwaarde dat hij militair bleef tot op de planken, maar dat hij dan als artist moest beschouwd worden. Dit gebeurde. Toen dan ook in ’n klein stadje een overste, gedurende zijn optreden, op ’n kopje tikte : Een kellner moest hem ’n kopje thee brengen, hield Marcel Barger met zingen op, totdat de kellner had bediend. Een luid applaus volgde.
Zóó heeft bij zeven maanden lang voor de militairen gezongen en hij doorkruiste ons land van noord tot zuid, van oost tot west. Menig avontuur heeft hij meegemaakt. Zóó herinnert hij zich hoe hij in Rottumeroog voor eenige matrozen gezongen heeft in ’n loods met geladen geweer naast zich, want als er Zeppelins boven het eiland kwamen moest daar op geschoten worden. En midden tusschen den avond gebeurde dit en moesten zij aantreden. Hij trad gewoonlijk op met den tegenwoordigen acteur bij de K. V. „het Nederlandsch Tooneel” Anton Ruys, die leider was en drie anderen, dilettanten. Vaak hadden zij leuke ontvangsten. Zoo in het vliegkamp te Soesterberg, ’s nachts vaak in kleine plaatsen op planken, met kaarsen als voetlicht.
Bij zijne voordrachten draagt hij speciale costuums. Zelf heeft hij twee chansons geschreven. Van het eerste is ’t idee van hem, maar de woorden zijn van Martin Liket. Van het tweede zijn de woorden en de muziek van hem. Het eerste heet: „Maantje, wil je mijn Pierrette zijn ?” Het tweede : „Pierrot Seigneur”.
Morgen Paul Collin, Nederlands zanger en cabaretier.



