Het boek bevat beschouwingen van de buitenlandse invloeden. Daarnaast interviewde Visser de cabaretspelers uit die periode, zoals Jean-Louis Pisuisse, J.H. Speenhoff en vele anderen.
Elke dag plaatsen we een hoofdstuk. Ditmaal Antoinette van Dijk, operazangeres en zangeres van Oudhollandse liedjes.
ANTOINETTE VAN DIJK
’t Is mij vaak opgevallen dat „Netje van Dijk”, zooals ik haar nu eenmaal noem, al heet ze oorspronkelijk Anna, niet dat succes heeft in het cabaret, waarop ze aanspraak maken mag. In kleinen kring is dat succes grooter en de reden is niet ver te zoeken : Zij is ’n fijne artiste, die met ’n enkel haaltje in hare stem ’n heeleboel doet en de kunst, die zij brengt is van eene zeer bijzondere geaardheid. Indien we nu in Holland ’n echt cabaret-publiek hadden, ’n publiek dat goed doordrongen was van ’t verschil tusschen het cabaret en de „variété”, dan zou men tot de erkenning komen dat Antoinette van Dijk tot de allerbeste cabarettières gerekend moet worden. Helaas te velen gaan naar het cabaret om „lol” te hebben, niet om schoonheidsontroering te beleven en al kan Netje ook vroolijkheid brengen, toch is de ernst, ’t literaire, meer haar eigenlijke „fort”. Wij zijn eens met haar gaan praten en omdat zij toevallig eene lieve vriendin van ons is, is dit gesprek misschien wat langer geworden dan met hare bescheiden heid is overeen te brengen. Ik moest dat vooral vertellen, want zij wist eigenlijk niet of zij zooveel plaatsruimte wel vergen mocht. „Nu, dat neem ik dan voor mijne rekening” heb ik geantwoord en dat doe ik dan ook, te meer omdat ik haar – zooals gezegd – eene zoo bizondere artiste vind.
Zij is eene zoekster, eene streefster, zooals eigenlijk alle artisten zijn en als zij één fout heeft dan is het deze : dat ze te bescheiden is en wat te weinig zelfvertrouwen heeft. Als persoon ’n lieve meid met snel wisselende stemmingen : van vroolijkheid spoedig omslaand in ernst. Haar lach is parelend, hare oogen zijn wat melancholiek. Dan nog beeldschoone handen. Dit wat haar uiterlijk betreft.
Wij troffen haar thuis tusschen twee reizen : Gisteren in Bergen geweest, van daag moest zij naar Hilversum notabene in ’n tuin gaan zingen.
Zooals gezegd zij is eene zoekster en ja, ze wilde wel eens afwisselen, niet zoo altijd zingen, maar ook wel es declameeren, misschien raakten de levensliedje wel es uitgeput, niet waar ? Maar aan den anderen kant, dan zou haar werk, waar zij oorspronkelijk mee was begonnen en dat eigenlijk hare liefde heeft, daaronder weer lijden. Ze voelde zich immers altijd aangetrokken tot ’t oud-Hollandsche lied. „En nu”, vertelde zij „heb ik ’n aardig boekje in handen gekregen : ,,’t Groot Hoorns, Enkhuyser, Alkmaarder en Purmerender Liede-Boek, vercierd met veel mooye Bruyloft-Liedekens en Gezangen.” Maar de groote moeilijkheid was nu : geschikte wijsjes te vinden. „Ik zoek dan maar altijd, in Duyse’s „Het oud Nederlandsche Lied”. Daarin vind ik de Wereldlijke en Geestelijke liederen uit vroegeren tijd, die ik zoo graag zing. De teksten vind ik daarin en de melodieën. En ook aanteekeningen, waar de gegevens te vinden zijn. Kan ik nu geen wijsje vinden, nou, dan maak ik er zelf maar een op de luit.
Dr. Scheurleer in den Haag is bezig om het boek van Duyse te completeeren door alle melodieën, die nog niet gevonden zijn, in zijn bibliotheek – die kolossaal uitgebreid is – op te zoeken.”
„Er is ’n jubileumuitgave op til van Bredero met melodieën : 20 liedjes uit z’n liefdeleven. Die wil ik gaan zingen voor ’n meer literair publiek, want ze zijn werkelijk nogal moeilijk voor menschen, die zich niet graag inspannen, weet u. Meer succes heb ik stellig met de liedjes uit ’t volksleven. Daar voelen de menschen wel ’t meeste voor.
Röntgen heeft nieuwe wijzen voor Messchaert van Bredero-liedjes gemaakt. Hier heb ik ze. Ik ben toch wel ’n ploeteraarster : Ik zou ook wel de melodieën van Hooft-liedjes willen vinden. Waarom ik met Bredero begonnen ben ? Omdat ’t aansloot met de viering van dat ’t 300 jaar geleden was dat hij werd geboren. Nu waren de menschen er juist ’n beetje warm voor. En dan draag ik meteen wat voor uit zijn „Moortje”.
Ik zing van alles wat oud-Hollandsch is. ’t Begint al met de Middeleeuwen : „Het daghet in den Oosten”.
Toen ik Yvette Guilbert haar oud-Fransche liedjes had hooren zingen, dacht ik : „Waarom zou ik nou niet eens ’t oud Hollandsche lied kunnen brengen ?” Te midden van m’n operastudie – daar kom ik straks op – dacht ik daar al aan. Toen op ’n zekeren dag, ben ik ze maar ineens zingend gaan declameeren, dus in ’n andere maat dan ’t eigenlijk „hoort”, en kijk, toen bleek dat ’t vroeger ook zóó werd gedaan, dus niet op die psalmachtige wijs, zooals men dat op concerten doet, … als men ’t al heelemaal doet. Ik heb er zelf ’n eenvoudige begeleiding bij gemaakt. Zóó ook bij dat liedje van de „Koningskinderen”. Ik ga van die soort liedjes ’n boekje uitgeven. Als ik nu zoo’n wijsje met luitbegeleiding breng, dan vragen de menschen wel: „Waar staat dat liedje ?” Wel, de wijsjes waren er al, maar ik heb ze geharmoniseerd voor de luit. Rosa Wertheim deed dat voor piano. Ik dorst dat namelijk niet, al heb ik harmonieles gehad. Wij zullen c.a. 10 liedjes uitgeven, vooral geestelijke liedjes en die zijn buitengewoon mooi en worden zelden gezongen, ’t Is de kunst maar wijsjes te vinden. Zoo heeft juffrouw dr. Nijland ’n boekje uitgegeven van oude liedjes voor de H. B. S. Ik heb de wijsjes gezocht en die zing ik dan wel voor de H. B. S. Vereeniging. De leerlingen en ook de leeraressen vonden dat bizonder prettig, omdat ’t allemaal zoo voor ze ging leven. Zoo ben ik op de geestelijke liedjes gekomen, op de Kerst- op de Maria- , op de Jezusliedjes. ’t Is nogal lastig om de menschen te verplaatsen in de spheer daarvan. Ik kan 17e eeuwsche liedjes en ’t daarbij behoorende patricische costuum brengen. Ook die Van Bredero in ’n volkscostuum : wit mutsje en wit schortje. Maar hoe krijg ik bij die geestelijke liedjes spheer ? Ik kan me toch niet in ’n nonnencostuum steken. In Brugge zag ik ’n prachtig costuum van de Heilige Ursula, maar dat is zoo licht. Nu praatte ik altijd maar om atmospheer te krijgen, maar ik heb nou weèr ’n ander idee : Ik wil, vóórdat ik ze zing, lichtbeelden doen vertoonen van de primitieven. Dus eerst de lichtbeelden en dan rustig zingen, ’t Is niet overal te verwezenlijken, maar waar ’t kan zal ik ’t doen. Leuk zou ’t zijn dat ook met liedjes uit de 17e eeuw te doen. Nu heeft dr. Scheurleer ’n reusachtige bibliotheek van alle schilderijen, die op ’t muziekleven betrekking hebben. Die komen voor in ’n boek, dat hij heeft samengesteld. Kijk, daar is b.v. ’n musiceerend gezelschap van omstreeks 1600. Zie, daar ,,de Luitspeler” van Jan Steen. Hier musiceerende boeren van Adriaan Brouwer. Ik wil de afdrukken daarvan hebben en toen heb ik aan de Lichtbeeldenvereeniging verteld dat dr. Scheurleer het mij toestond en toen voelden zij er zoo veel voor dat zij ’t kosteloos zouden doen, als … . zij ze mochten houden. En waarom niet ?”
Vroeger heb ik nog op ’n andere wijze spheer trachten te brengen : Ik heb ’n heele kemenade laten bouwen en daarin in oud-Hollandsch costuum gezongen. Zóó heb ik bij het Speenhoff-jubileum o.a. gedaan. ’t Waren grootendeels melancholieke liedjes, die ik zong en de menschen gingen het te saai vinden. Ik heb ’t heele ding voor ’n prikje verkocht. Ik begreep dat ik bij de oudHollandsche liedjes niet blijven kon en ik ging nu ook „levensliedjes” zingen, ’t Meest voel ik voor de liedjes van mevrouw Manna de Wijs-Mouton. Die liggen mij ’t best. Van Dirk Witte zing ik ook wel graag, maar er zijn anderen, die dat beter doen dan ik. De zeer krachtige liederen zijn meer berekend op Pisuisse’s geluid. Maar b.v. „Voorbij” van Witte is mijn genre. Ook de fijne Hullebroeckjes en een enkel liedje van Herre de Vos. Veel succes heb ik ook met oude Zuid-Afrikaansche liedjes.
Mijn lievelingsliedje van het Oud-Hollandsche repertoire is „het Meiliedje”.
Wij laten ’t hieronder volgen : De wijs er van staat in het Nederlandsche Volksliederenboek ; de 2e, 3e en 4e strofe zijn overgenomen uit „Het lied in de Middeleeuwen” Dr. G. Kalff.
MEI OF WACHTERLIEDJE
1.
lc wil den Mei gaen houwen
Al in dat groene gras.
Ende schenken mijn boel *) die trouwe
Die mi die lieveste was,
Ende bidden dat si wil comen
Al voor haer vensterken staen
Ende ontfanghen den Mei met bloemen,
Hi is so welghedaen.*) lief.
2.
Ende doe die suverlike
Sijn reden hadde ghehoort,
Doe stont si trurentlike;
Met des sprac si een woort:
,,Ic heb den Mei ontfanghen
„Met groter eerwaerdicheyt.”
Hi cust si aen haer wangen ;
Was dat niet eerbaerheyt?3.
Hi nam si sonder truren
Al in syn armkens blanc.
Die wachter op der muren
Die hief op een liet ende sanc:
„En de is daer iemand inne,
„Die mach wel thuiswaerts gaen,
„Ic sie den dach opdringhen
„Al door die wolken claer.”4.
„Adieu mijn alreliefste,
„Adieu schoon bloèmken fijn,
„Adieu schoon rosebloeme
„Daer moet ghescheyden sijn;
„Ent dat ic wedercome,
„Die liefste sult ghi sijn.
„Dat herte in minen live
„Dat hoort ja altijt dijn.
Toen „Netje” eens bij ons op ’n avondje was, vertelde zij dat ze nu weer ’n nieuwe snaar op haar viool had : Ze had kinderliedjes gemaakt; de tekst en de muziek en ze zong er ons eenige voor. Zij troffen mij door hun eenvoud, hunne zoetvloeiendheid en ’t kon niet anders : ’t moest wel aanlokkelijk zijn voor de kinderen, om het refrein mee te zingen, zooals zij dat ook wil. Nu, bij het „interview” vroeg ik haar hoe zij daar eigenlijk toe gekomen was. Het antwoord luidde : „Ik zong eens in den Helder voor eene groote vereeniging van wel 6oo menschen. Het was in Maart of in April 1918. Ik gaf oude liedjes en nieuwe. Ik had groot succes, zoodat ’t bestuur vroeg of ik niet eens voor hunne kinderen kon optreden. Ik zei dat dit eigenlijk niet mijn genre was. Ik had geen tijd. Ze drongen aan. Ik nam het 14 dagen in beraad. Ik dacht na en toen heb ik ’n liedje gemaakt: „Kom Marietje”. En toen volgden er meer : „Holland”, „Op reis”, „Brief van ’n kind aan Juhaantje” en nog ’n heeleboel. Ik zing ze bij tooverlantaarnplaatjes, die Annie Kost, ’n schilderesje uit Laren, heeft gemaakt,”
Alleraardigst zijn die plaatjes : Ik heb ze bewonderd. Ze zijn frisch, natuurlijk en kleurig.
„Ik wil eenvoudige kinderen bereiken” vervolgde Netje van Dijk „liever nog dan die van de rijkelui. Juffrouw van Asperen, de directrice van „Ons Huis” apprecieerde ze zeer en haar oordeel was dat de plaatjes en de zang gecombineerd, op de phantasie van de kinderen werken. Te midden van al ’t opvoedende leek haar die lichte gezellige, fijne vroolijkheid — dat waren hare woorden — zoo goed.
Ik laat hier „Kom Marietje” volgen :
Als de lente is gekomen
En de winter is voorbij
En de vogels gaan weer zingen
Voelt een ieder zich weer blij.
Als je dan met al je boeken
Voor de open schooldeur staat
Is ’t of de musschen tjilpen
En het klinkt door heel de straat:Refrein:
Kom Marietje, kom Marietje
Ga je mêe ’n loopie maken
Kom Marietje, kom Marietje
Want de zon die schijnt zoo fijn
Kom Marietje, kom Marietje
Ga je mee ’n loopie maken
Kom Marietje, kom Marietje
Heerlijk is het buiten zijn.Als j’alleen maar ’s morgens school hebt
Want ’t is een halve dag
Zit je al vooruit te denken
Of je buiten spelen mag.
Als dan net de zon gaat schijnen
Op de platen aan de muur
Zing je zachtjes in je eigen
Want het slaat straks 12 uur :Refrein : Kom Marietje enz.
Maar daar woont een kind hierover
Die haar moeder is zoo ziek
En nu moet zij al ’t werk doen
Vader is op de fabriek
Kijk, ze schuift het raam net open
Waar ’t zonnetje op staat
En ze kijkt ’s naar beneden
Want ze zingen daar op straatRefrein : Kom Marietje enz.
Kijk, die Jan maakt zelf een voetbal
Van wat lappen en papier
Alle jongens willen schoppen
En ze schreeuwen van plezier.
En die Mien die springt maar touwtje,
Kees die ranselt op zijn tol
En de heele straat is vroolijk
Hoor ze zingen van de lolRefrein : Kom Marietje enz.
Ten slotte vroeg ik Netje van Dijk mij haar „artistieke” loopbaan eens te vertellen :
„Mijne eerste leermeesteres was Catharina van Rennes. Zij vond dat ik eene goeie stem had en het oorspronkelijke plan was dat zij mij zou opleiden voor hetzelfde vak dat zij had : voor leermeesteres voor kinderen. Behalve van haar, kreeg ik van allerlei leeraren les in bijvakken. Na verloop van tijd haalde ik mijn diploma toonkunst. Een jaar of twee gaf ik toen op lagere scholen solfège-lessen. Men vond dat ’t zonde was voor mijne stem en ik ging eerst wat lessen nemen bij mevrouw Ypes-Speet in adem gymnastiek en zoo. Toen naar Parijs waar Emma Nevada mijn leermeesteres was. Die maakte ’n hooge sopraan van mij. Daar bleef ik ongeveer anderhalf jaar. Toen debuteerde ik in Londen in ’n Engelsche opera : „Queen Gweneveve, ’n rol, die ik voornamelijk kreeg om …. m’n haar, Pisuisse was toen correspondent van ’t Handelsblad. Daar heb ik hem voor ’t eerst leeren kennen. De Hollandsche kolonie in Londen was erg aardig voor mij. Daarna heb ik hier te lande concerten gegeven als concertzangeres. ’t Meeste succes had ik met Fransche liedjes, genre Yvette Guilbert, al vielen ze ’n beetje uit ’t concert-genre. Daarna ging ik een jaar naar Italië waar ik in allerlei opera’s zong. Toen prinses Juliana geboren was, ben ik in de Hollandsche club in Londen gaan zingen. Daar, in Londen, bleef ik drie jaar hangen bij ’n opera gezelschap. Ik reisde er mee door Engeland, Schotland en Ierland. In al die jaren heb ik vele oude liedjes verzameld – dat was altijd mijne liefhebberij – : oude Engelsche, Fransche en Italiaansche.
Ik merkte dat m’n stem zwaarder en donkerder werd en in Berlijn aangeland, ging ik les nemen bij ’n Amerikaanschen zangleeraar, die me als ’n kostbare schat mee wilde nemen naar Amerika, maar ik deed ’t niet. Toen ik het Duitsche repertoire beter leerde kennen ben ik naar Bayreuth gegaan en studeerde ik een Wagner-repertoire. Ik gaf daar ’n concert. Maar dit zag ik wel in : Mijne stem had niet het volume voor het zware Wagner-repertoire. Juist had ik ’n engagement als „zweite Mezzo”, toen de oorlog uitbrak. De engagementen werden geschrapt. Toen, in ’t eerste oorlogsjaar, ben ik aan de studie van het oud Hollandsche lied gegaan. Ik voelde dat ik dat in costuum moest zingen en – ’t klinkt misschien vreemd – ik wist niet wat „cabaret” eigenlijk was – ja, Yvette Guilbert had ik wel gehoord en ik had ook wel hare leerlnge willen worden, maar ze reisde toen te veel en gaf geen les. Van Gelder was in den Haag in dien tijd met ’n cabaret, waar Pisuisse conférencier was. Dat was uitstekend. Er traden alleen op Speenhoff, Pisuisse, Willy Corsari en ’n meisje dat ’n paar Fransche liedjes zong. Er was net repetitie en ze waren ’t cabaret aan het bouwen. Pisuisse herkende me. „Wilt u vanavond eens optreden ?” vroeg hij „dan zullen we es zien hoe ’t publiek op uwe oud Hollandsche liedjes in costuum reageert.” „Ja” zei ik „maar er moeten dan wat historische bizonderheden in ’t programma staan.” Nou, ’t programma was al gedrukt, ik was ’n extra nummer en Pisuisse oordeelde : „Nou vertel er dan maar wat bij.” En zóó gebeurde ’t. Ik zong het Meiliedje, nog ’n oud drinkliedje, ,,’t Kwezeltje” in het Engelsch, „Kom man je moet naar huis toe gaan” en ik kreeg .. . ’n pracht-pers. Toen heeft Pisuisse mij geëngageerd en van Gelder heeft weer Pisuisse, Hemsing en mij geëngageerd. En zóó trokken wij door het heele land ”
„Netje” was bleek geworden Den vorigen avond gezongen – nu weèr zingen . . . ’n vermoeiend interview daartusschen. En. . . ja nog even praten blijven. En toen gingen wij naar huis en zij ging prozaïsch ’n dutje doen. Of zou zelfs haar dutje poëtisch zijn ?
Morgen Charles Heynen, musicus en componist.



