nieuws  voorpagina archief Youtube Spotify Instagram Facebook Mastodon Bluesky
Nieuws

Het Nederlandsche cabaret door Edmond Visser (27)

In 1920 schreef de journalist Edmond Visser (1882-1941) in de serie artistieke handboeken ‘Nederlandsche Kunst’ een deel getiteld ‘Het Nederlandsche Cabaret’. Daarmee werd hij de eerste geschiedschrijver van het Nederlandse cabaret.

Het boek bevat beschouwingen van de buitenlandse invloeden. Daarnaast interviewde Visser de cabaretspelers uit die periode, zoals Jean-Louis Pisuisse, J.H. Speenhoff en vele anderen.

Elke dag plaatsen we een hoofdstuk. Ditmaal danseres Gertrud Leistikow (1885-1948). Visser noemt haar geen cabaret-kunstenares, maar ze trad wel degelijk op in het cabaret.

GERTRUD LEISTIKOW

Gertrud Leistikow behoort tot de allergrootste artisten der wereld. Dit is ’n groot woord, maar wie kunstgevoelig is en dus bewonderen kan, voelt dat hier niet het talentvolle maar het geniale te beleven valt. Haar dansen is niet zoo maar eene levensuiting, het is een universeele drang naar het Alomvattende. De Idee hanteert haar en zóó is zij eene begeesterde. Eene oernatuur drijft haar, maar eene zeer vergeestelijkte natuur,. Zij is de Dionysische, door het apollinische getemperd.

Gertrud Leistikow is geen cabaret-kunstenares. Het toevallige feit dat zij eens in het cabaret onder andere „nummers” is opgetreden, is mij slechts voorwendsel om over haar te schrijven in dit boek. De reden is dat ik haar bewonder, dat ik uiting geven wil aan die bewondering en dat ik ook eens van het héél groote wil gewagen en u eens iets wil vertellen van wat ik gesproken heb met deze groote vrouw.

Gertrud Leistikow heeft die macht over haar lichaam, die ook Bouwmeester heeft. Bouwmeester, die een kleine man is, kan op het tooneel heel groot schijnen. Beter gezegd, de innerlijke imaginatie bepaalt bij groote kunstenaars de uiterlijkheid. Zóó ook bij Leistikow. Soms schijnt zij eene reuzin, lang en slank, maar als je met haar zit te praten lijkt ze eer klein dan groot. Haar gezicht is heel aetherisch, haar lichaam eveneens en het timbre van haar stem is droomerig en zacht. Vervelend moet voor haar wel een gesprek zijn, waarbij je je moet bepal en. Zoo’n interview dwingt je tot formuleeren, terwijl toch het ware wezen van den kunstenaar is te handelen, te scheppen, niet te praten. En toch … als interview wil jé enkele feiten vermelden. Ziet daar dan eenige : Gertrud Leistikow s vader was een Pool, hare moeder eene Poolsche. Zij werden uit Polen verdreven, trokken Duitschland door en – vreemd genoeg – Leistikow kent zelfs geen Poolsch. Als kind danste zij al, beter gezegd, bewoog zij al rhythmisch. Zij had zich nooit voorgenomen dat te doen. ’t Kwam van zelf. ’t Moést, ’t kon niet anders. Zij bezocht de „Kunstgewerbe schule” te Dresden, leerde daar schilderen, maar danste bij feestelijke gelegenheden. De professoren zagen terecht daarin de uiting, waarop zij hare kunst moest richten en zóó kwam zij er toe ook in Dresden voor kunstenaars te dansen. In Berlijn heeft zij den grooten regisseur Reinhardt voorgedanst, die haar in de gelegenheid stelde in zijn Kanmerspiele-theater avonden te geven. Deze entourage lijkt mij voor Gertrud Leistikow de ware: Een kleine zaal met éen select publiek. Niet in een groote zaal kan hare kunst, waarbij het zoo zeer op nuances, op héél fijne gemoedsbewegingen aankomt, tot haar recht komen. Ernst Stern, de beroemde Ernst Stern, aan het Reinhardt-theater verbonden in de functie ongeveer die Frits Lensvelt en Nell Bronger bij Royaards bekleeden, heeft de eerste costuums voor Frau Leistikow ontworpen. Later heeft zij dat zelf gedaan, ja, voor ’n deel maakt ze zelf hare costumes, die in overeenstemming zijn met de stijl van haar dans. Zij beschouwt echter alles wat niet de dans zelf is als bijkomstigheid, ook de costuums. ‘Zij doet haar dansoefeningen in ’n kort zwart kleed om haar aandacht alleen op het bewegen, op het – wat men eigenlijk ten onrechte noemt dansen – te concentreeren. Later komt de bijbehoorende kleur van zelf in hare gedachte en, ja, de dans wordt „gesteigert” – om haar woord eens te gebruiken : Ons interview was in het Duitsch – door de kleur.

Gertrud Leistikow danst niet volgens eenig systeem. Zij is geen Dulcaniane, geen Dalcrosiane, zij is geheel zichzelf. Haar systeem – als je van een systeem spreken kunt, maar ’t woord systeem is hier onjuist – is haar eigen trouvaille. De techniek van het dansen heeft zij geleerd bij de prima ballerina van het Hof-theater te München, maar slechts heel kort, slechts eenige weken. Natuurlijk blijft zij de techniek oefenen, maar zij vindt zeer terecht dat je wel de techniek onder de knie moet hebben, maar dat het publiek aan het knap-technische niet moet herinnerd worden, het publiek moet, om zoo te zeggen, denken dat het zoo van zelf komt, want de techniek is evenals het costuum bijkomstig. Zij heeft ook het Kallmeyer-systeem bestudeerd : Harmonische gymnastiek, waarbij Grieksche standbeelden als voorbeelden dienen. Maar van elke school is zij wars. Ook de Dalcrose-methode heeft zij beschouwd. En de Elisabeth Duncan-school te Darmstadt. Als school vindt ze die zeer goed : Zij bewonderde het lichte, het zwevende loopen der leerlingen en zij vindt het ook juist dat een ensemble uit de school is van de een of de ander, maar eene solo danseres mag dat h.i. niet. Dalcrose is niet speciaal de kunstenaar voor den dans – hij zegt dat zelf ook – maar hij wil ieder mensch iets geven. Hij zegt dat het zijn doel is alle kunstenaars rhythmisch gevoel te geven, ook aan tooneelspelers. beeldhouwers enz.

Zóó zeer is de dans primair bij Gertrud Leistikovjr en al het andere secundair dat ze nu zelf bezig,is dansen in te studeeren geheel zonder muziek. Zij acht dit de hoogste wijze van danskunst. Zij weet nog niet of zij dit ideaal ten volle zal kunnen realiseeren, maar zij hoopt het. Voor zoover zij tot dusverre op muziek danste, was en bleef die muziek slechts hulpmiddel. Voor haar is de dans eene heilige handeling, maar niet in den bekrompen zin. Zij formuleert dit zóó : Aan de dans moet de religieuse Idee ten grondslag liggen. Zij bedoelt hiermeê natuurlijk niet de Idee van deze of gene religie, maar het algemeen religieuse, het verheven bezielde. Zij heeft bij het dansen geen voorstelling, geen beeld, slechts gewaarwording. Zij ziet b.v. niet in hare verbeelding eene treurde vrouw, die dit of dat doet, zij voelt slechts de treurigheid en beeldt die uit. Zij wil nooit van de dans eene pantomime maken. (Meina Irwin deed dat b.v. Die speelde hare vaak zeer gepeperde dansen.) In de Nocturne geeft Leistikow b.v. het sombere; het gedempte, de essentie daarvan. Zij maakt daarbij niet de conventioneele treurige geste, zij laat zichi gaan op het gevoel, niet belemmerd door het verstand. Die gevoelsuiting wordt later echter wel vastgelegd. Het is merkwaardig : In de Somberheid gaat a.h.w. de sombere persoon op. Leistikow geeft het Algemeene, zij danst eene kathegorie, eene algemeene bijzonderheid, eene bizondere algemeenheid. Dat is het wat haar tot zulk eene groote kunstenares, tot zulk eene groot-kunstenares maakt.

Zooals gezegd, de muziek is bij haar secundair. Hoort zij eene bepaalde melodie, dan is het mogelijk dat zij eene latente dansidee in harmonie daarmee vindt. Goed, dan „steigert” in dat geval de muziek de dans, even als de kleur van het costuum.
Bij sommige dansen beeldt zij ééne gewaarwording uit, bij andere dansen „Schwingungen der Empfindung” In de wals van Chopin, die zij zoo prachtig danst heeft b.v. eerst het droeve de overhand, dan de vroolijkheid. De treurmarsen van Chopin is uitsluitend droefenis, ’t Meest houdt zij van de tragische dansen, van de marche funèbre van Chopin, van zijn Preludium, van Bach.

Nu studeert zij de Pavane van Ravel en eene nieuwe zeer sombere mazurka van Chopin en – zooals gezegd – dansen zonder muziek.
Zij bouwt hare dansen op, ze zijn door het gevoel harmonisch geconstrueerd. Welk een mystiek iets : dit gevoel, die intuïtie. Dat zij nooit denkt aan het effect dat hare zielsuitingen op het publiek maken zal, spreekt wel van zelf. Hare groote successen heeft zij dan ook alleen voor ‘n select publiek. Toch had zij groot succes ook toen zij in een uitverkochte zaal optrad in den Haag voor „Volksontwikkeling.”

Zij heeft verscheidene tournées gemaakt: door Duitschland om te beginnen. In het kunstzinnige’ München heeft zij ’t meeste succes gehad. Dan naar Frankfort, naar Dresden enz. In Rusland is zij ook geweest. Zij trad op in Petersburg, in Moskou, in Riga. In Budapest had zij successen, die ovaties waren. Zij is heel graag in ons land. Hef publiek als geheel is vrij koel, maar zij apprecieert den „einzelnen” Hollander zeer, omdat hij zoo diep op iets ingaat en wel begrip en gevoel voor groote kunst blijkt te hebben.

Van de dansers bewondert zij zeer Sacharoff, den beroemden Russischen danser en Clothilde von Derp, de bekende Duitsche danseres. Zij zijn samen getrouwd, en daar de een ’n Rus, de andere ’n Duitscher is, zijn zij gedurende den oorlog in Zwitserland geweest. Ook Gertrud Leistikow heeft door Zwitserland gereisd. En zij hoopt ook nog naar Engeland en naar Amerika te gaan. Veel succes hebben Leistikow’s Grotesken : haar „Maskentans”, haar „Faun”. Zij zijn bizonder geestig, de ommezijde van hare tragische dansen. Zij heeft ze voor ’t eerst gecreeërd. Natuurlijk heeft zij navolgsters gekregen, maar dat bleef dikwijls uiterlijk. Bij haar is het, zooals zij dat zoo praegnant zei – „aus einem Muss heraus.” „Nicht das man tanzen will, das man tanzen muss” dat is het ware criterium, die de danseres maakt tot, eene priesteres van de kunst.


Morgen danseres Angèle Sydow.

Categorie: Zoals de ouden zongen | Meer over: ,
Richard van Bilsen. Maker Zwartekat.nl.