Het boek bevat beschouwingen van de buitenlandse invloeden. Daarnaast interviewde Visser de cabaretspelers uit die periode, zoals Jean-Louis Pisuisse, J.H. Speenhoff en vele anderen.
Elke dag plaatsen we een hoofdstuk. Ditmaal de danseres Angèle Sydow (1890-1960).
ANGÈLE SYDOW
Als wij op een cabaret-programma den naam Angèle Sydow lezen, dan weten wij tevens dat ons dien avond althans eenige oogenblikken van al-geheele schoonheidsontroering wachten. Dan zien wij eene opperste levensuiting van schoone kleur, lijn en van schoon bewegen. Dan zien wij de lente vóór ons belichaamd of de navrante melancholie of het zoete herdenken. De vlindervlucht of het angstig ineenschrompelen van het groote, menschelijke lijden. Deze beeldschoone jonge vrouw beeldt, ja beeldt met haar lijf al ’t denken, al ’t voelen, al ’t lijden en al de verrukking van het leven.
Ook met haar zijn wij gaan praten. ’n Nauwsluitend kleed met daarboven ’t intelligente, klassiek gevormd blonde kopje met de lichtende oogen. Beheerscht nerveus, bovenal beheerscht, want haar heele musculatuur, elke zenuw, elke pees heeft zij in bedwang. Dat doet de studie.
Het begon zóó : ,,Als kind heb ik al veel gedanst” en dan ’t eeuwenoude verhaal van de ouders, die er natuurlijk tegen waren dat hun kind „in de kunst” ging : Papa was Rittergutsbezitzer in Posen, waar Angèle werd geboren, maar hij was Duitscher en ’t meiske kreeg ’n Duitsche opvoeding, ofschoon de moeder eene Poolsche was. De ouders waren er dus tegen, maar kinderen blijven in dien strijd bijna steeds overwinnaars.”
Zij nam dan lessen bij den grooten meester Octavi in Berlijn – zij zal toen zoo wat 18 jaar zijn geweest – en reisde hem zelfs na naar Amsterdam waar hij ’n groot ballet instudeerde. Eerst danste zij op ’n groote soirée voor ’n beperkt publiek, dat verrukt was. De techniek had zij toen volkomen onder de knie, maar dat voelde zij : dat de techniek, al is ze nog zoo groot, niet voldoende is. Die gaat vooraf, maar op groote zielsuitingen komt ’t aan en daar muziek voor Angèle primair is aan de kunst van het dansen, ging zij voor het muzikale deel studeeren bij Dalcrose op de Hochschule in de tuinstad Hellerau, waar de „Geheimer Regierungsrat” prof. Wolf Dorn, Dalcrose met zeer veel geld steunde en waar hij de „Hellerauer Werkstatte” stichtte. Daar in Hellerau in de Sachsische Schweiz waren dus nu mooie stoffen, mooie meubels, mooie bergen. Dus wel ’n oord om vreemdelingen te lokken, ’n propaganda-oord voor Dalcrose en zijne methode. O, als zij, Angèle Sydow zóó gesteund zou worden met geld, wat zou zij dan kunnen bereiken. Ik beloofde haar ’n paar millioen en zij was daar erg dankbaar voor.
Ze studeerde dan bij Dalcrose. Daar bleef zij twee Semesters. Maar ook dit begreep zij : Iedere methode is absoluut elementair, zelfs die van Dalcrose voor haar, want ’t genie wordt niet gebeeld, het beeldt zichzelf. En Dalcrose begrijpt dat ook. Zijne eigen woorden zijn : „Wir bilden keine Künstler. Das Talent ist eine Götterfunke”. „Zie” zei zij, als ik ’n paedagoge ben, dan kan ik ’n talent vergrooten èn zelfs van ’n ongetalenteerd mensch, kan ik dan iets maken. Ik vind de dans de mooiste kunst die bestaat, want rhythmiek, mimiek, tooneelspel en plastiek zijn in de danskunst te zamen, ten minste in de danskunst, zooals die moet zijn. In de eerste plaats rhythmiek, want alles berust op den rhythmus. Waarom keek men zoo laag op de danskunst neer, vóórdat Duncan die kunst in hare waarde herstelde ? Omdat de dans vóór Duncan was „die Verflachung des rhythmischen Empfmdens. Er is verschil tusschen Duncan en Dalcrose. Duncan is geene schepster, zij is de herschepster van den klassieken dans. Bij Duncan is de beweging primair, dan komt eerst de muziek, die bovenal middel is. Bij Dalcrose is ’t omgekeerd : Muziek primair. Dus Duncan’s kunst gaat parallel met die der Grieken. Deze waren op muzikaal gebied niet zoo ontwikkeld. Wij bezitten althans geen muziek uit den ouden Griekschen tijd. Laten wij ’t nog eens zóó formuleeren: Bij Duncan ligt ’t accent op de beweging, bij Dalcrose op den rhythmus. Dalcrose heeft voortgebouwd op de ideeën van Wagner, die in zijn werk „Das Kunstwerk der Zukunft” schitterend geschreven heeft over rhythmus en dans en dan op die van v. Bülow, die ’t gevleugelde woord gesproken heeft: „lm Anfang war der Rhythmus . En dat is toch ook zóó, want zelfs ’t ademhalen van n klein kind is ’n rhythmische herhaling. Dalcrose was vroeger leeraar in de muziek aan het conservatorium te Genève en ik zal u vertellen hoe ’n toeval de grondslag was van zijn later streven : Hij had ’n leerling, ’n kind, dat maar niet begreep dat na ’n maatstreep ’n accent kwam. In z’n wanhoop pakte hij ’t bij den arm, liep om de tafel en stampte op de 3 kwarts maat: 1 2 3 en op de vierkwarts 11234. En zóó kwam hij op z’n methode. Spoedig werd Dalcrose beroemd en er kwamen groote danseressen, componisten etc. bij hem ter school of eens kijken hoe die beroemde methode eigenlijk was. Zóó kwam daar ook ’n Poolsche prins, verder de nicht van ex-keizerin Eugenie, met wie ik zeer bevriend was en prof. Dr. Max Schillings, den componist van ,,das Hexenlied” en den beroemden Russischen componist Rachmanioff.
Toen ik nu twee Semesters bij Dalcrose was geweest, begon ik voor mij zelf te studeeren, want ik dacht aan het woord van Schiller : ,,Es bildet ein Talent sich in der Stille”. Nu zal ik u zeggen hoe ik ga dansen : Ik laat mij een muziekstuk voorspelen. Zoodra ik ’t gehoord heb weet ik of ’t me ligt of niet. Zoo ja, dan laat ik ’t me nog tien maal voorspelen om mij er geheel in te leven. Dan opeens, zie ik direct de beweging, de vereischte beweging, die ’t muziekstuk opwekt, voor mijn geestesoog. Ik zie ook absoluut de kleur van ’t costuum dat er bij past, want aan ’n toon zit vorm en voor mij ook kleur. Daarnaar kies ik mijn gewaad, dus naar de tint, die ’t muziekstuk heeft. De innerlijke tint realiseert zich voor mij dus in ’n kleur, die ik zie. Zoo dans ik – om ‘n eenvoudig voorbeeld te noemen – ’n treurmarsch van Chopin niet in ’t vuurrood, maar in ’t zwart.
Hierin wijk ik af van Dalcrose : Bij hem zouden wij alles in Grieksche tunica’s dansen. Ik zoek bij den klassieken dans, o, volstrekt geen effectbejag, maar wel afwisseling door verschillende costuums. Dat costuum wil slechts aanduiden : ’t Costuum laat iets zien, de beweging laat iets voelen en op ’t gevoel komt ’t bij elke kunstuiting aan.
Er zijn danseressen die geniaal willen doen en die zeggen dan : ,,Ik hoor muziek en dan dans ik direct”. Dat is onzin, ’n Heel enkele maal kan dat gebeuren, maar in ’t algemeen gaat ’t zóó : – ik herhaal ’t nog eens. Ik denk me in in ’n muziekstuk, dan komen klaar en spontaan de bewegingen. Ik zie dan de beweging vóór me. Een enkele maal maar gaat ’t anders : ’t Preludium 22 van Chopin, dans ik al lang en heb ’t nooit gestudeerd. Ik was in de achterkamer. ‘n Vriendin van me speelde in de voorkamer. Ik liet ’t haar drie maal spelen. Den volgenden dag liet ik m’n pianist komen en danste. En dan nog eens : Ik hoorde in het Kurhaus eene humoreske van Dvorak. M’n pianist liet ik het twee maal spelen en ik danste. Dat zijn geniale momenten, die men maar zelden heeft.
Als je met ‘n moeilijk muziekstuk te doen hebt, dan heb ie ’n zeer gedetailleerde analyse noodig.
Niet ieder muziekstuk is te dansen, slechts die muziek die „tonend bewegte Form ist, eigent sich zum Tanze, zur plastischen Verkörperung” zóo heb ik ’t eens uitgedrukt. En ik heb eens dit geschreven : „Der Gelehrte beschreibt den Fels nach Mass und Gewicht, der Dichter nennt ihn stolz, finster, wild, d.h. er fuhlt sich in ihm hinein”. Zóó als de dichter zich in de rots invoelt, moeten wij ons in de muziek invoelen, die wij plastisch weergeven. Nog dit: Ik dans de muziek zooals de componist ze geomponeerd heeft. Nooit schend ik die door coupures. Groote pianisten hebben mij daarom willen begeleiden, zooals Hubert Cuypers, die een groot kunstenaar is. Ook herinner ik mij gaarne den tijd, waarin Louis Schmtzler mij accompagneerde.
Mijn leergang is ingedeeld in gymnastiek, rhytmische gymnastiek, dans en plastiek. Eén uur duurt elke les. Éérst eenvoudig, daarna gecompliceerd. Ik zal u rhytmische gymnastiek definieeren: „Rhythmische Gymnastik ist das Studium der Bewegungen am eigenen Körper” en “der Tanz is Kunst der Bewegung.” Ik heb kindertjes onder mijne leerlingen, die pas vijf jaar zijn. Dan denk ik wel eens: Wat kan deze generatie gelukkig zijn dat we zoo iets bezitten. U begrijpt dat is geen eigen lof, want zoo is ’t geworden.
De danseressen uit m’n school, die hier en elders optreden zijn Else Dankmeyer, Hansi Götze, Florrie Rodrigo, Xandra Stradowska, Darja Collin, Eugenie v.d. Made.”
Deze dames zullen wel hetzelfde te zeggen hebben als hare leermeesteres : Angèle Sydow.
NAWOORD
En hiermee is mijn boekje gereed. Ik had nog eene kleine samenvatting, iets van ’n historische lijn willen geven, maar nu ik alles nog eens overlees, zie ik dat die niet te vinden is. Ons cabaret heeft nog geene geschiedenis, evenmin als het Duitsche „Ueberbrettl” er ooit eene gehad heeft. In ’t kort gezegd, kunnen wij constateeren dat bij ons het eigenlijke cabaret nooit zou zijn ontstaan als Frankrijk ons niet was voórgegaan, dat wij aan de Fransche cabarettiers veel te danken hebben, dat Pisuisse ons die klein-kunst en ook de Duitsche en de Engelsche in haar oorspronkelijken vorm brengt, dat Jacobs er zich op geïnspireerd heeft en sommige liedjes alléén, sommige met Martin Liket samen heeft vertaald, dat Louis Davids uit Engelsche music-halls zijne kunst heeft geput, dat Speenhoff, misschien op ’t Fransche lied geïnspireerd, dat eigenaardige, Hollandsche heeft gebracht en dat de meeste anderen zich weêr op hun beurt op Speenhoff hebben geïnspireerd, al brachten zij weer eigen versvorm of melodie.
’t Is mogelijk dat vele cabarettiers en ook vele lezers zullen vragen : „Waarom is deze, waarom is die in dit boekje niet vermeld ?” De reden is dan of dat ik dien kunstenaar of die kunstenares niet gezien heb of geen sterken indruk van hem of haar heb gekregen öf – en in dit geval mijne excuses – dat ik vergeten heb ze te vermelden. Blijkt mij dit, dan hoop ik in den tweeden druk – zorgt er voor, vriendelijke lezers en lezeressen, dat die er komt – mijn fout te herstellen.
Pijnlijk heb ik er voor gewaakt een boekje alléén over het cabaret te schrijven, dus vooral de variétékunst uit te sluiten. Dikwijls is de grens niet precies te bepalen, doch ik wilde liever iets te streng dan te zachtzinnig zijn in dit opzicht, waarin ik niets kwaads ten opzichte van het café-chantant bedoel, maar het is een geheel ander terrein, ’t Verschil is dat ’t café chantant als zoodanig zich tot het cabaret verhoudt als kunstemakerij (ook met stem en voordracht) tot kunst. Dat ons in het z.g. cabaret veel geboden wordt dat er eigenlijk niet hoort en misschien in het café chantant veel dat eigenlijk best tot ’t cabaret zou kunnen worden gerekend doet daar niets toe af of toe.
De dies minores heb ik weggelaten, ook als zij misschien kunstenaars kunnen worden.
Van de danseressen heb ik alleen de grootste, die ik ken, geïnterviewd. Elk harer en ook de danser Irail Gadeskov, dien ik het genoegen had te interviewen hebben op hunne wijze „school” gemaakt. Die scholieren heb ik – hoe verdienstelijk zij misschien ook mogen zijn – buiten beschouwing gelaten. Zij zouden mij principieel niet veel anders kunnen verteld hebben dan hun leermeester of leermeesteressen.
De one-two-step-foxtrott dansers heb ik niet opgenomen. Er zijn er zeer verdienstelijke onder, maar ik vind ze niet „du cabaret”. Ook hierbij is de grens weêr moeilijk te bepalen. Zoo zou b.v. Combes hier wel een plaatsje mogen vinden en misschien ook wel Tschetchorke en Marheinke en anderen ook, maar ik heb de verzoeking weerstand geboden.
Rest mij nog de dames en heeren, die zoo vriendelijk waren, „slachtoffer” te willen zijn en die mij allen zonder onderscheid zoo hartelijk en met zoo veel welwillendheid hebben te woord gestaan mijn oprechten dank te betuigen. Zonder hunne medewerking zou dit boekje, althans in dezen vorm, niet tot stand zijn gekomen.
Den lezeressen en lezers hoop ik eén beetje amusementslectuur te hebben gebracht. Mocht mij dit gelukt zijn en mocht het oordeel wezen dat die niet van de slechtste qualiteit is, dan zie ik mijne moeite dubbel dwars beloond. Literaire pretentie heeft dit boekje in geenen deele. En als ik het publiek wat nader tot het “cabaret” mocht hebben gebracht, als ik het mocht hebben opgewekt, wat meer belang te gaan stellen in de echte mooie, fijne kunst die door mij zoo zeer wordt bemind, dan zou ik oprecht verheugd daarover zijn.
En nu vaart allen wel, die mijn boekske gelezen hebben.



