‘In de media’: Zwartekat duikt de bladen in.
Vandaag: Naar aanleiding van debat theaterkritiek afgelopen woensdag in Bellevue te Amsterdam, vroeg De Volkskrant theatermaker Oscar van Woensel (toneelgroep Dood Paard) om een artikel te schrijven over theaterkritiek.
“Wat me persoonlijk zo vaak stoort aan Nederlandse kritieken (over anderen, wanneer ik ze in de krant lees) is dat ze zo weinig diepgaand zijn. De criticus (m/v) komt niet veel verder dan het beschrijven van een avond en het spuien van een mening daarover. Meestal als je zo een stukje leest denk je: ‘Ja, dat zal jouw smaak wel zijn, maar is jouw smaak dan zo zaligmakend dat we je advies op moet (sic) volgen?’ Ik heb behoefte aan achtergronden, tradities, landschappen, oeuvres en lange lijnen. Maar door de kunstredacties van de Nederlandse dagbladen wordt daar kennelijk anders over gedacht. Willekeur schijnt te heersen, samen met de waan van de dag. (..)
Er is niet één criticus die een paar voorstellingen van ons op rij ziet. Consequent wisselen ze elkaar af. Slechts af en toe stuit ik op een artikel waarin een rode draad wordt beschreven. Kennelijk lukt het de critici niet het overzicht te bewaren nadat er tien voorstellingen zijn gemaakt. Daar komt bij dat ze elkaar ook nog voortdurend tegenspreken en vele, vele kleine foutjes maken. Van die foutjes waardoor je echt zeker weet dat ze niet de moeite hebben genomen zich in het gezelschap te verdiepen, het stuk van te voren (of naderhand) even te lezen of iets verder te kijken dan naar hun eigen kromme tenen. (..)
Ik merk dat ik giftig begin te worden, naarmate ik me verder door de meter (recensies, ZK) heen worstel. De lust om terug te slaan is groot. Vaak ben je zo machteloos als je neergesabeld wordt. Het staat met dikke letters in de krant gedrukt, iedereen kan het lezen: waardeloos schrijver, waardeloos toneelspeler, waardeloos gezelschap.En wat kun je er tegen doen? Niets. Helemaal niets. (..) Maar nu kan ik terug meppen, nu kan ik hen aanvallen, nu kan ik zeggen wat zij allemaal verkeerd doen en de verleiding daaraan toe te geven is groot, tegelijkertijd wil ik het niet, is het te makkelijk en voelt afmaken als me ervan afmaken. (..)
Wat kritieken met publieksopkomsten kunnen doen, vind ik trouwens het meest verontrustende van het hele verhaal. Het betekent namelijk dat de critici macht hebben. En niet zomaar macht, nee, macht over onze tribunes. Zo hebben ze indirecte macht over onze inkomsten. dat is een verandtwoordelijkheid, zou je denken. Die verantwoordelijkheid zouden ze moeten nemen. Maar dat doen ze niet. Ze schrijven alsof ze er niets mee te maken hebben. (..)
Wat zou een kritiek dan moeten zijn? Ten eerste denk ik dat de mensen door de critici op de hoogte moeten worden gesteld van het gegeven dat een voorstelling bestaat (..) kortom een beschrijving van het wat, wie, waar en wanneer. Vervolgens zou de criticus de besproken voorstelling in een bepaald kader moeten plaatsen, een traditie, een stroming, een genre. Hij/zij zou vervolgens de inhoud en de thematiek de betekenis van de voorstelling moeten proberen te omschrijven. Daarin kan verwezen worden naar opvallende elementen in de vormgeving, het spel (..) En ten derde is er de betekenis -die elk kunstwerk per definitie heeft- voor de kunst. Uit welke traditie komt de voorstelling voort? Welke stap is in welke richting genomen. (..) Wat willen de kunstenaars zeggen, waar gaat het over? Volgens mij zou het prima mogelijk zijn artikelen te schrijven in deze trant zonder ook maar iets prijs te geven van je persoonlijke mening of smaak.”
‘De toneelrecensent is dronken’ door Oscar van Woensel, in: De Volkskrant, 28 apr 2005



