nieuws  voorpagina archief Youtube Spotify Instagram Facebook Mastodon Bluesky
Nieuws

Mensenmarkt door Frans van Waes (5)

‘Mensenmarkt’ van Frank van Waes (A.M. de Jong, 1868-1943) gaat over de Amsterdamse artiestenbeurs rond 1922, een wekelijkse markt waar artiesten en directeuren van cabarets, variétés en andere uitgaansgelegenheden elkaar ontmoetten om te onderhandelen over optredens.

De tekst belicht de rol van agenten en directeuren, die profiteren van de economische kwetsbaarheid van artiesten. Waarbij de schrijver zich voordoet als directeur van een te openen cabaret.

VIJFDE HOOFDSTUK
vorig hoofdstuk|volgend hoofdstuk

Uit de foyer van Flora gaat de handel naar het Rembrandtsplein en zet zich in café “De Kroon” voort.

Koopwaar en kopers vinden elkaar daar weer terug. Het loopt er stop vol. Wie nog geen engagement heeft, zoekt er de agenten en impresario’s op en de directeuren. Wie voorlopig “onder de pannen” is, zit er of loopt lachend rond, spreekt kennissen en vrienden aan, geurt met z’n succes, vertelt van gunstige resultaten op tournee, van tegemoetkomendheid der directies , van de nijd van deze of gene collega. Men prijst de “goeie nummers”, zonder ooit te vergeten aan de lof een of ander “maar” toe te voegen: De onderlinge rivaliteit grijnst naar alle kanten met een zeer onaangenaam snoet. Het is in deze wereld van de lach, de dans en het lied als overal elders: het succes van de één prikkelt de spitse tongen van de anderen; er is maar een misdrijf dat nog afschuwelijker is, dan succes te hebben, en dat is: geen succes te hebben. Dan komt naast de concurrentiestrijd de bitse spot, de hoon en de minachting. Men is er echter ook wel eens gemoedelijk en toegevend en onder de ouderen vooral is een soort heel eigenaardige berustende wijsgerigheid en een meewarige kameraadschap, die vermoedens wekken van veel kommer, leed en tegenspoed. Er zijn inderdaad veel doffe ogen en vermoeid glimlachende monden en het drukke en haastige rondhollen, spreken en gebaren van veel jongeren contrasteren daarmee sterk. De mensen , die de indruk maken altijd en overal iedereen vóór te willen zijn. hebben de onbetwiste meerderheid. Er zitten er ook eenzaam en weemoedig voor zich uit te staren, met een pijnlijke gelatenheid, alsof ze alle hoop hebben opgegeven en alleen wachten, hoe de klap komen zal. Tot ze plots als onder een plotsklaps invallende gedachte opspringen en weglopen naar de een of andere bekende, die opduikt uit de menigte en die, wie weet, een kansje kan aanwijzen. En alles loopt dooreen, groet naar vele zijden, zwaait naar verre bekenden, praat, lacht en onderhandelt. Groepjes verdringen zich om tafeltjes waar een bekend impresario zitting houdt en zijn gewaardeerde en goed betaalde bemiddeling verleent bij het verkrijgen van engagementen.

Een zit er, die het bijzonder druk heeft. Het is een man van een enigszins brutaal, donker type, wiens zinnelijke mond wreder lijkt onder de kort geknipte knevel. Men belegert hem formeel. Men maakt queue bij zijn tafeltje en telkens zie ik zijn kleine, sluwe ogen snel de nieuwe sollicitant monsteren, onverschillig als het een mannelijk, belangstellender als het een vrouwelijk exemplaar is. Als er een heel mooi en een heel ongegeneerd juffertje komt, glimlacht hij breed, dat z’n niet bijster blanke tanden zichtbaar komen en hij maakt zowaar een halve buiging. Onvriendelijk lijkt hij tegen niemand, maar zijn spijtig schouderophalen is welsprekend en duldt geen tegenspraak: de ongelukkigen, die dat treft, verdwijnen kleintjes tussen de menigte. En de queue blijft aldoor even lang. Telkens wordt er snel onderhandeld, vaak komt daarop het energieke schouderophalen, vergezeld van een traag hoofdschudden. soms ook wordt meteen een contractformulier ingevuld, getekend en de gelukkige artiest vertelt stralend aan vrienden en kennissen dat ‘t “voor mekaar” is.

Mijn geleider noemt nu de naam van deze machtige. Een buitenlander, gewezen artiest. die zich later gevestigd heeft als impresario. Hij heeft het betere deel gekozen. Een handige jongen! Verdient geld als modder. En kijk es, hoe die gerespecteerd en gevleid wordt! Als een vorst door zijn hofhouding, meneer! Ja, een gladde jongen! Veel invloed.
Kijk maar es, hoe ze allemaal om hem heen zwermen. Hoe ze tegen hem pluimstrijken, hoe ze glimlachen en met beste bewondering hem de woorden uit de mond kijken! Overigens geen kwaaie kerel, maar hij weet aan z’n duiten te komen… Enfin, of je van de hond of van de kat gebeten wordt… en hij doet ’t ten minste hoffelijk… D’r zijn d’r wel, die je met minder goeie manieren het vel over je oren halen…

Ik ga dicht bij zijn tafeltje zitten en luister en kijk zo onopvallend mogelijk. De zaken gaan snel en zonder veel praatjes. Men dringt niet lang aan, als hij nee zegt, blijkbaar wetend, dat er toch niets aan te doen is. Onverstoorbaar gelijkmoedig gaat de machtige zijn gang, verbaast zich niet over die drukke klandizie, noch over al de beminnelijkheid, waarmee al die beminnelijkheid, waarmee al die begerige gezichten naar hem glimlachen. En toch… wat trekt aan de onverschilligheid van die man daar voorbij!
Ik ril af en toe op mijn observatiepost. Je ziet ze komen met van hoon lichtende ogen. Wat kunnen de ogen zelfs van mensen, die zó veel, en zó weinig mooie, dingen van het leven gezien hebben, kinderlijk kijken als ze hopen, angstig zijn en vlak voor de beslissing staan van de vraag, or ze al of niet zullen kunnen eten. Je ziet ze twijfelen, als ze wachten in de rij, maar met elke plaats die ze vooruitkomen, groeit de hoop in hun ogen: ze hebben toch zo een mooi nummer, zo interessant… ze hebben zo hard gewerkt om het klaar te krijgen… deze keer moet het toch wel lukken… die en die en die hebben ook een engagement gekregen en die zijn toch véél minder! En als ze dan voor de geweldige meneer staan, gaan hun ogen wijd open, hun hele ziel zendt haar verlangen, soms haar angst naar hem uit, heel hun wezen smeekt in hun nerveuze glimlach. Een heel enkele maar presenteert zich zelfbewust en onverschillig. Verreweg de meesten trillen innerlijk van spanning en aan het zenuwachtige trekken van hun mond, het knipperen van hun ogen zie je, wat er voor hen van afhangt of ze al dan niet geaccepteerd zullen worden. Hoe kan iemand onbewogen blijven tegenover zoveel spanning, die zelfs mij, op mijn afstand benauwt… En dan de inzinking, als het verontschuldigende schouderophalen komt. De zieligheid van de glimlach, die de afgewezene dapper op zijn gelaat houdt; men toont zijn grievende
teleurstelling niet in ’t openbaar: hoe meer men het nodig heeft, hoe meer de trots zich er tegen verzet, dat aan anderen te laten merken. Maar als ze dan weer alleen zitten aan een tafeltje, en zich onbespied wanen, staren de ogen moedeloos in de ruimte, de glimlach zakt weg uit het gezicht, dat plotseling ouder lijkt en vervallen… en met trieste verwondering bedenk je, dat daar een mens zit uit de “amusement”-wereld.

De impresario nochtans gaat onverstoorbaar verder en niets van alles wat de lucht rondom hem zwaar maakt dringt door het pantser van zijn beroepsmatige ongevoeligheid. Enkel de bekoorlijkheden van een of ander brutaal vrouwtje vermogen af en toe zijn voornemens te doen wankelen of zwichten. Er komt een vreemde schittering in zijn ogen, die zich merkwaardig getrouw weerspiegelt in de ogen tegenover hem. Hij trekt bedachtzaam een dikke rookwolk uit zijn sigaret en overweegt en geeft een halve belofte: straks nog es praten…

Het wordt drukker en drukker in “de Kroon.” Het voorste gedeelte van de zaal is een zoemende bijenkorf. Je hoort veel vreemde talen spreken. Alles dringt en wringt zich door de nauwe paadjes tussen de stoelenrijen en hoe meer de beurs vordert, hoe meer de verschillende groepjes zich karakteristiek beginnen af te tekenen. Stralende gezichten lachen, roepen kwinkslagen naar verder zittende bekenden: die hebben een goeie middag gehad. Anderen zitten triestig neergestreken, kijken dof voor zich uit, rekenen wellicht angstig na, of ze nog tot de volgende beurs uit kunnen komen. Tot ze nog een kans gaan wagen bij een nieuw opduikende agent of directeur, in eens opverend tot hun voorkomende glimlach en hun levendige artiestentoon.

Oningewijden kijken verwonderd en nieuwsgierig. Een paar bekende vakverenigingsbestuurders krijgen mij in de gaten. vragen wat er aan de hand is. Een meeting? Een vergadering ? Waarvan ? En ik licht hen in:
“Nee, enkel maar de wekelijkse markt in amusement en mensenvlees of in beiden, als je wilt. Een moderne slavenmarkt, waar de slaven zichzelf te koop bieden: artiestenbeurs.”

Ze begrijpen het niet zo gauw, maar ik moet hen verzoeken, me liever met rust te laten hier wat heeft een eerzaam aanstaand directeur van doen met vreemdelingen van hun slag?…

En als ik naar huis ga, zie ik in de Utrechtse straat het oude, vieze directeurtje stijf gearmd met het mooie dansmeisje. De twee andere lopen er glimlachend achter…

Categorie: Zoals de ouden zongen | Meer over:
Richard van Bilsen. Maker Zwartekat.nl.