De tekst belicht de rol van agenten en directeuren, die profiteren van de economische kwetsbaarheid van artiesten. Waarbij de schrijver zich voordoet als directeur van een te openen cabaret.
ZESDE HOOFDSTUK
vorig hoofdstuk|volgend hoofdstuk
Elk milieu heeft zijn eigenaardigheden en elke stand in zo’n milieu z’n eigenaardige manieren. Die moet je leren. En mijn geleider gaf mij welwillende wenken in de goede richting. Als er iemand aan ons tafeltje kwam, een vriend of een kennis van hem, stelde hij die even aan mij voor en ik nam m’n hoed af en deed ook overigens even hoffelijk als dat onder gewoon-welopgevoede mensen de gewoonte is. Mijn gids keek me dan een beetje spottend glimlachend aan. En toen ik na mijn tweede bezoek aan de artiestenbeurs nog immer de burgerlijke beleefdheid in acht nam, meende hij mij ernstig te moeten waarschuwen.
“Kijk es”, zei hij, “als u prijs stelt op uw prestige van directeur, moet u heus een beetje minder beleefd zijn tegen de artiesten. De mensen weten niet, hoe ze ’t hebben en zouden achterdocht krijgen. ”
Misschien had hij ook al achterdocht gekregen door mijn onveranderlijke hoffelijkheid, ook tegen de minst schitterende vertegenwoordiger van de amusementsartiestenwereld. Ik keek vermoedelijk wat dom, want hij lachte en haalde de schouders op.
“Ja, meneer… ’t is nou eenmaal geen gewoonte, dat een directeur zó optreedt. ’t Zou misschien wel aangenaam zijn, maar wij zijn ‘t niet gewend en u weet: de gewoonte… ”
Ik zag in, dat ik ongelijk had en begreep, waaraan ik het aarzelend kijken van de meeste aan mij voorgestelden te wijten had. Ik had hen teleurgesteld in hun verwachting. In zekeren zin had ik hen geschokt in hun vertrouwen op de grondvesten van hun samenleving.
Wellicht had ik hen onwillens gekrenkt door mijn onverantwoordelijke beleefdheid, die alle afstanden ontkende, afstamden, die toch nodig zijn? Ze waren tegenover mijn correctheid niet zeker meer van hun plaats en dus ook niet van de mijne. Geef toe, dat dit een toestand schept van onaangename onzekerheid, van onrust en twijfel. Men moet de manieren van zijn stand handhaven en ik nam mij ernstig voor, mij te verbeteren.
En toen dan ook weer iemand naar ons toekwam en aan mij werd voorgesteld, wees ik met een slap gebaar naar mijn hoed, stak de man een paar nonchalante vingers toe, bromde wat onverstaanbaars en keek meteen een andere kant op. De uitwerking was verbluffend. De andere boog en bleef met z’n hoed in de hand staan praten, onzeker, telkens aarzelend even terzijde kijkend naar mijn nors gezicht, dat niet de minste notitie wenste te nemen van zijn onbelangrijke aanwezigheid. En toen hij heenging, zwaaide hij breed met zijn hoed, boog diep en waagde het zelfs niet mij zijn onwaardige hand toe te steken. Zijn hoed zette hij eerst op, toen hij twee passen bij ons vandaan was. lijk had hem nauwelijks toegeknikt en voelde neiging hem achterop te loop en om hem excuus te vragen voor mijn onheus gedrag. Maar ik deed het bij nader inzien, toch maar niet en vroeg aan m’n vriend.
“Zo goed?”
Hij knikte met een complimenteuze glimlach.
“Zo is ’t beter. U ziet, de mensen zijn dadelijk meer op d’r gemak.”
Ik vond die uitdrukking, eerlijk gezegd, vrij raadselachtig, maar waarschijnlijk kwam dat door mijn staat van vreemdelingschap in het milieu.
Er was die middag nogal opwinding onder de aanwezigen. Voortdurend groepten mensen samen bij het bestuurstafeltje van de artiestenbond, praatten heftig door elkaar en gesticuleerden. Een jonge man met lange haren en een lavallière was telkens het middelpunt van de opgewonden conversatie. En het bestuur haalde de schouders op, maakte wanhopige gebaren, die duidelijk te kennen gaven: “Niets aan te doen! Heel jammer, maar absoluut niets aan te doen. ”
“Wat is er toch aan de hand?” vroeg ik.
Mijn geleider was al op de hoogte.
“Ja,” lichtte hij mij in, “een gevolg van die vervloekte concurrentie van de buitenlanders. Die lui verpesten alles. De grootste sof-nummers krijgen langdurige engagementen. Ik zei het u toch al? Tot een half jaar achter mekaar… Ze moesten liever een half jaar bajes krijgen.”
“Nou, nou!” meende ik als directeur te mogen kalmeren, “u loopt nogal hard van stapel!”
“Ja, u hebt goed praten”, wond de ander zich op. ” Voor u is ‘ et niets dan voordeel, maar voor ons! Waarom blijven die lui niet in d’r eigen land!. .. Nou, die jongen daar met z’n lange haren is een dichter-zanger. Hij heeft een spotliedje gemaakt op de buitenlanders, een refreinliedje. Elk couplet eindigt ongeveer zo:
“alles is prachtig, als je maar buitenlander bent.” En gelijk heeft ie. ’t Is gewoonweg beestachtig. Alles slikken ze van die lui, omdat ze een vreemde taal spreken… Nou, en nou willen de directies niet hebben dat ie dat liedje zingt en weigeren ‘m op te laten treden, as-t-ie dat liedje niet van z’n repertoire afvoert. Pressie van de buitenlanders. Want die weigeren op te treden as hij zijn spotliedje zingt. En daar zijn waarachtig nog Hollanders. die die lui voortrekken boven d’r eigen belang. Mesjogge zijn ze. En het bestuur van de bond zegt. dat ze d’r niks an kunnen doen.”
“Nog al logisch,” terg ik hem. “Jullie zijn toch aangesloten bij de internationale organisatie? Grenzen bestaan voor jullie niet meer. Allemaal broeders in het vak. Je kan toch je broeders niet weren, omdat ze toevallig een andere taal spreken!”
Op z’n gezicht lees ik: “Een echt pestantwoord van een directeur.” Maar dat zegt ie natuurlijk niet. Hij haalt wrevelig de schouders op en repliceert: “Nou ja… maar wat die lui doen is dun. Dat is geen eerlijke concurrentie. Ze drukken de markt. Ze komen met zó’n overbluffend aantal, dat er niet tegen op te werken is. Ze vreten ons ’t brood voor de mond weg met hun snertgages. Een schande. Daar moet wat tegen gedaan worden.”
“Ja, wat is daar tegen te doen? Het publiek wil het wel, de directies willen ‘t, omdat ’t publiek ’t wil èn omdat ’t hun in de gages scheelt. Daar zal niet veel aan te doen zijn.”
“Met organisatie is er wat aan te doen. ”
“Ja, als jullie organisatie sterk genoeg is.”
“Natuurlijk! D’r zijn nog altijd veel te veel klaplopers, die d’r buiten blijven. Wel mee plukken van de voordelen, maar geen hand mee uitsteken aan het werk. Nog te beroerd om contributie te betalen. Lammelingen!”
“Ja,” zeg ik wijs, “daar klagen meer organisaties over. De directeurenbond is ook niet dát.”
Hij hoort me niet eens. Hij kijkt donker naar de gesticulerende praters.
“Kletsen kunnen ze allemaal”, zegt hij bitter. “Maar met daden opkomen voor d’r eigen belang, daar zijn ze nog te slap voor. En ’t is nodig, meneer,” gaat hij overtuigd voort. “Ik verzeker u, dat er nood is, dat er honger geleden wordt, gewoon zwarte honger. En dat is toch geen solidariteit van de vreemdelingen, als ze hier onder de markt werken, zeg u zelf. De organisatie moet ingrijpen. In Noorwegen hebben ze ’t geloof ik al gedaan. Daar mag maar een bepaald percentage van ’t program door buitenlanders bezet worden. En geen organisatielid werkt in een zaak, waar ’t percentage overschreden wordt. Gewoon de boycot. Zo moet ’t. ”
“En als ik ’t dan b.v. es in m’n hoofd kreeg om allemáál buitenlanders te nemen!” dreig ik.
“Zal u wel laten,” glimlacht hij rustig. “Dat lust ’t publiek ook weer niet. Weet u, daar moest es flink in de krant over geschreven worden. ‘t Publiek moet behoorlijk ingelicht worden over die dingen. Dan zal ‘t ons misschien helpen. Ze zullen toch as puntje bij paaltje komt, d’r eigen landgenoten niet helemaal in de steek laten 1 As ‘t publiek blijk geeft, dat ze ons wat meer willen zien, is dat voor de directies ook een prikkel. En wat hebben ze d’r an ?! Het gros van de mensen verstaat er immers toch geen jota van!”
“Dat is ‘t ‘m juist,” veronderstel ik. “Daarom zijn ze zo gebrand op die buitenlanders. ’t Staat sjiek om net een snuit te trekken of je al dat buitenlands keurig verstaat.”
“Best mogelijk,” geeft hij grimmig toe. “Maar voor ons is ‘t een wanhoop.”
Toen spraken we af, dat ie zo hier en daar zou vertellen, waarom ik hier rondzwierf: dan kon ik zelf es met de mensen praten.
En daarop gingen we naar de Kroon.



